Het gezin Tanner bestaat uit drie broers en een zus – Simon, Kaspar, Klaus en Hedwig. Rond
hun omzwervingen, ontmoetingen, ruzies, verhoudingen, banen en gebrek aan banen weeft Walser zijn luchtige, vreemde en heerlijk heldere verhaal.

De held van het boek, Simon Tanner, is bezeten van een bandeloze vrijheidsdrang en bekijkt
de wereld en de mensen totaal onbevangen, niet met een ‘verwend, verstopt hoofd’. Dat
brengt hem in de vreemdste conflicten met de wereld van de conventie, met de aangepasten,
de door carrière en concurrentie gecompromitteerden. Door zijn argeloosheid confronteert hij hen met wat zij verloren hebben: fantasie, humor, gezond verstand en materiële
onkreukbaarheid.

De Tanners is Walsers eerste roman uit 1907 en waarschijnlijk zijn meest toegankelijke.

‘De mooiste stukken in De Tanners zijn toch opnieuw die waarin intensief over berg en door dal wordt gewandeld. Op een van die tochten ontdekt Simon het stoffelijk overschot van de poëet Sebastian. Het is een griezelige voorafspiegeling van het einde van Walser zelf. Hij werd op kerstdag 1956 dood in de sneeuw gevonden nadat hij niet terugkeerde naar de instelling voor psychiatrische patiënten waar hij al decennia verbleef.’ Hans Cottyn in de De Standaard

https://www.standaard.be/cnt/dmf20200319_04895832

In Trouw lovende woorden voor De Tanners van Robert Walser in de vertaling van Machteld Bokhove: ‘Walsers bedwelmende woordenroes relativeert inderdaad alle menselijke ambities. Hij laat je meegenieten, en tegelijkertijd huiveren, van de nietige plek die wij in de kosmos innemen. Toegegeven, dat zijn grote woorden. Je moet hem gewoon zelf lezen, de man die grote woorden juist verafschuwde. Altijd weer zijn er, ook in Nederland, pogingen ondernomen om Robert Walser onder de lezers te brengen. Jeroen Brouwers heeft werk van hem vertaald. En nu is het vertaler Machteld Bokhove die deze unieke auteur hier levend houdt, ditmaal samen met de jonge uitgeverij Koppernik. In 2018 verscheen bij hen al ‘De rover’. En volgend jaar brengen ze ‘De bediende’ uit. Een moedige onderneming.’

https://www.trouw.nl/cultuur-…/ode-aan-de-vrijheid~bd3deda3/

Elisabeth Francet op Mappalibri over De Tanners van Robert Walser: ‘Wie met ‘De Tanners’ verder wil, zal zijn tred moeten aanpassen en de tijd moeten nemen. Voor deze roman ga je het best breed zitten of languit liggen, als aan de oever van een rustig kabbelende rivier. Dit boek er snel doorheen jagen zou volledig indruisen tegen de geest van de protagonist, die de onverdroten aandacht van de lezer meer dan waard is. Je krijgt er ook iets voor terug. Walser laat je vrijer ademen, verder kijken en beter luisteren.’

https://mappalibri.be/…

 

Dagblad De Morgen over De Tanners van Robert Walser:‘Een van de meest tedere en consequente scheppingen van de Duitse vertelkunst’, zo omschreef Walter Benjamin De Tanners, de tweede roman van de Zwiterse auteur Robert Walser (1878-1956) uit 1906. De schrijver, die de laatste 23 jaar van zijn leven geen woord meer neerschreef, bewaarde in deze familiesaga nog een zekere frivole en luchtige helderheid. Zijn held, de argeloze Simon Tanner, is bezeten van een bandeloze vrijheidsdrang. Totaal onbevangen slaat hij de wereld gade, niet met een ‘verwend, verstopt hoofd’. Hij cultiveert fantasie, humor en gezond verstand, wat leidt tot curieuze conflicten.’ 

‘Walser maakt vrolijke mist in je hoofd.’ de Volkskrant

‘Het kan heel goed zo zijn dat je door het lezen van Walser een gezonder en aardiger persoon wordt. Hoe dan ook maakte het je gelukkig.’ Kirkus Review

 

‘Zonder overdrijving, al het werk van Walser is subliem.’ Tzum

 

‘Walsers werk is van een uiterste eenvoud, maar slechts eenvoud werpt licht op de wereld.’ Franz Kafka

 

Over De rover:

 

‘Proza dat je leesgedrag op zijn kop zet en je door de kamer laat stuiteren.’ De Morgen

 

‘Walser schittert in deze roman met ironische terzijdes, woordspelingen en dartele invallen.’ Trouw

 

Op een dag belde Simon, het was rond het middaguur, tamelijk schuchter aan bij een elegant, vrijstaand huis met een tuin. Hij had het gevoel of er een bedelaar had aangebeld toen hij het geklingel hoorde. Als hij nu bijvoorbeeld als huiseigenaar binnen in huis had gezeten, misschien net aan het middageten, dan zou hij zich traag tot zijn vrouw wendend hebben gevraagd: wie belt er nu, vast een bedelaar! ‘Voorname mensen,’ dacht hij terwijl hij wachtte, ‘stel je je altijd voor aan een tafel, of in een koets, of bij het aankleden, waarbij hun dienaren en dienaressen hen behulpzaam zijn, armen daarentegen stel je je altijd buiten in de kou voor, met hoogopgezette jaskragen, zoals ik nu, met bonzend hart wachtend voor een tuinhek. Arme mensen hebben doorgaans snelle, bonzende, driftige harten, die van de rijken zijn kil, ruim, verwarmd, gestoffeerd en dichtgetimmerd! Ach, als er nu eens snel iemand aangerend kwam, wat zou ik dan opgelucht zijn. Dit wachten voor een rijke deur heeft iets benauwends. Wat sta ik toch ondanks mijn beetje wereldwijsheid zwak op mijn benen.’ – Inderdaad, hij beefde toen er een meisje kwam aangerend om degene die buitenstond open te doen. Simon moest altijd glimlachen als iemand de deur voor hem opendeed en hem verzocht binnen te komen, ook nu verliep het niet zonder dit geglimlach dat eruitzag als een vage vraag in zijn gezicht, en dat misschien wel bij veel mensen is waar te nemen.

‘Ik zoek een kamer.’

Simon nam zijn hoed af voor een mooie dame die de aangekomene aandachtig opnam. Simon vond het prettig dat ze dat deed, want hij voelde dat zij daartoe het recht had, en omdat hij zag dat ze daarbij niet haar vriendelijkheid verloor.

‘Wilt u meekomen? Daar! De trap op.’

Simon vroeg de dame hem voor te gaan. Hij maakte daarbij voor de eerste keer in zijn leven met zijn hand een gebaar. De dame liet de jongeman de kamer zien door een deur te openen.

‘Wat een mooie kamer,’ riep Simon, die werkelijk verrast was, ‘veel te mooi voor mij, helaas, veel te chic voor mij. U moet weten, ik ben zo’n weinig geschikt mens voor zo’n chique kamer. En toch, ik zou er heel graag in wonen, al te graag, veel, veel te graag. U heeft er eigenlijk niet goed aan gedaan mij dit vertrek te laten zien. Het was veel beter geweest als u mij uw huis uit gestuurd had. Hoe kom ik erbij mijn blik te werpen in zo’n vrolijke, mooie ruimte die geschapen lijkt als woning voor een God. Wat bewonen de welgestelden toch mooie woningen, zij die iets bezitten. Ik heb nooit iets bezeten, ik ben nooit iets geweest, en ik zal ondanks de verwachtingen van mijn ouders ook nooit iets worden. Wat een mooi uitzicht vanuit die ramen, en zulke leuke, glanzende meubels, en zulke schitterende gordijnen die de kamer iets meisjesachtigs geven. Ik zou hier misschien een goed, teder mens worden als het waar is, zoals je hoort zeggen, dat een omgeving iemand kan veranderen. Mag ik nog heel even rondkijken, mag ik hier nog een minuut blijven staan?’

‘Natuurlijk mag u dat.’

‘Ik dank u.’

‘Wat doen uw ouders, en, als ik vragen mag, in hoeverre bent u “niets”, zoals u zich daarnet uitdrukte?’

‘Ik heb geen baan!’

‘Dat maakt me helemaal niks uit. Het hangt ervan af!’

‘Nee, ik heb weinig hoop. Hoewel, dat mag ik, als ik eerlijk ben, helemaal niet zeggen. Ik ben vol hoop. Nooit, nooit verlaat zij mij. – Mijn vader is een arme maar levenslustige man bij wie het in de verste verte niet opkomt zijn huidige sobere dagen te vergelijken met die opperbeste van vroeger. Hij leeft als een jongeman van vijfentwintig jaar en hij maakt zich op geen enkele manier zorgen over zijn situatie. Ik bewonder hem en probeer hem na te doen. Als hij bij zijn sneeuwwitte ouderdom nog opgewekt kan zijn, dan moet het dertig-, nee honderdmaal de plicht van zijn jonge zoon zijn om het hoofd hoog te dragen en de mensen aan te kijken met ogen als bliksemschichten. Maar mijn moeder gaf mij, en mijn broers veel meer dan mij, opvattingen mee op aarde. Mijn moeder is gestorven.’

Uit de mond van de dame, die er heel vriendelijk bij stond, kwam een klaaglijk Ach. 

‘Ze was een goedhartige vrouw. Wij kinderen praten voortdurend over haar, wanneer en waar we elkaar ook maar ontmoeten. We leven verspreid over deze ronde, wijde wereld, en dat is maar goed ook want we hebben allemaal van die hoofden, weet u, die niet langdurig voor elkaar geschikt zijn. We hebben allemaal een wat moeilijk karakter, wat hinderlijk zou zijn als we ons gezamenlijk onder de mensen zouden begeven. Dat doen we goddank niet, en ieder van ons weet precies waarom we dat niet willen doen. Toch houden we van elkaar zoals het hoort. Een van mijn broers is een niet onbekende geleerde, een andere is specialist in de beurswereld, weer een andere is niets anders dan mijn broer omdat ik meer van hem houd dan van een broer en het niet in me op zou komen als ik aan hem denk om nog iets anders van hem naar voren te brengen dan juist het gegeven dat hij de mijne is, degene die er zo uitziet als hij, verder niets. Samen met deze broer zou ik graag hier bij u wonen. De kamer zou groot genoeg zijn. Maar het zal wel niet lukken. Hoeveel kost hij?’

‘Wat is uw broer?’

‘Landschapsschilder! Hoeveel zou u voor de kamer willen hebben? – – Zoveel? Dat is beslist niet te veel voor deze kamer, maar voor ons is het veel te veel. Bovendien, nu ik er goed over nadenk, en nu ik u indringend aankijk, zijn wij tweeën niet geschikt om dit huis in en uit te lopen alsof we hier thuis zijn. We zijn nog te grof, we zouden u teleurstellen. Ook hebben we de gewoonte ruw om te gaan met bedovertrekken, meubelstukken, wasspullen, raamgordijnen, deurklinken, trapportalen, daar zou u van schrikken, u zou boos op ons worden, of u zou het ons misschien vergeven, u zou proberen een oogje dicht te doen, wat nog erger zou zijn. Ik zou niet willen dat u later problemen met ons kreeg. Jawel, jawel! Ontkent u ’t maar niet. Ik snap het te goed. Wij hebben eigenlijk voor alle verfijnde schepsels op den duur weinig respect over. Zulke mensen als wij moeten voor rijke tuinhekken staan waar ons de vrijheid gelaten wordt spottende opmerkingen te maken over alle schittering en alle zorgvuldigheid. Wij zijn spotvogels! Adieu!’

De ogen van de mooie vrouw hadden een diepe schittering gekregen, en nu zei ze opeens: ‘Ik zou meneer uw broer en u toch graag in huis willen nemen. Ik zal het wat de prijs betreft wel met u eens worden.’

‘Nee liever niet!’ 

Simon liep de trap al af. Toen riep de stem van de dame hem na: ‘Alstublieft, blijft u toch nog.’ En ze snelde hem achterna. Beneden haalde ze hem in en bracht hem ertoe te blijven staan en naar haar te luisteren: ‘Wat bezielt u om zo snel weg te gaan. Ziet u, ik wil, ik zou u beiden graag hier houden. En ook al betaalt u niet! Wat geeft dat? Helemaal niets, helemaal niets, komt u toch mee, kom mee. Betreed met mij deze kamer. Marie! Waar ben je? Breng nou meteen koffie hier in deze kamer.’

Binnen zei ze tegen Simon: ‘Ik verlang ernaar u en uw broer nader te leren kennen. Hoe kon u nou zomaar wegrennen. Ik voel me vaak zo alleen in dit afgelegen huis dat het me beangstigt. Mijn man is de hele tijd afwezig, op verre reizen, hij is onderzoeker, bevaart alle zeeën waarvan zijn arme vrouw zelfs geen flauw idee heeft dat ze bestaan. Ben ik niet een arme vrouw? Hoe heet u? Hoe heet die ander, uw broer? Ik heet Klara. Noemt u mij gewoon: mevrouw Klara. Ik hoor die gewone naam graag. Bent u nu iets minder schuw geworden? Daar zou ik heel, heel erg blij om zijn. Denkt u niet dat wij goed met elkaar zouden kunnen leven en opschieten? Heus, dat zal vast wel lukken. Ik houd u voor een zachtaardig mens. Ik ben niet bang u in mijn huis te hebben. U heeft eerlijke ogen. Is uw broer ouder dan u?’

‘Ja, hij is ouder en een veel beter mens dan ik.’

‘U bent een goed mens dat u dat kunt zeggen.’

‘Ik heet Simon en mijn broer heet Kaspar.’

‘Mijn man heet Agappaia.’

Ze verbleekte toen ze dat zei, maar ze herstelde zich snel en glimlachte. 

Simon schreef aan zijn broer: ‘Wij zijn eigenlijk rare snuiters, wij tweeën. We hangen rond op deze aardbodem alsof alleen wij erop leven en verder niemand anders. We hebben eigenlijk een idiote vriendschap gesloten, alsof er verder onder mannen niets meer te vinden zou zijn wat het waard genoemd kon worden vriend te heten. Eigenlijk zijn we helemaal geen broers maar vrienden, zoals die elkaar nu eenmaal kunnen vinden in deze wereld. Ik ben echt niet gemaakt voor vriendschap en ik snap maar niet wat ik zo geweldig aan jou vind dat het me dwingt mezelf steeds weer aan jouw zijde voor te stellen, als het ware op jouw rug. Jouw hoofd komt me nu haast als het mijne voor, zo sterk zit je al in mijn hoofd; ik zal misschien na verloop van enige tijd, als het zo doorgaat, dingen vastpakken met jouw handen, lopen met jouw benen en eten met jouw mond. Onze vriendschap heeft beslist iets geheimzinnigs als ik je zeg dat het helemaal niet zo onmogelijk is dat onze zielen eigenlijk van elkaar weg willen, dat ze dat alleen niet kunnen. Ik ben nu toch nog heel blij dat jij dat nog altijd niet kunt want jouw brieven klinken heel aardig en ik verlang voorlopig ook van mezelf dat ik in de ban blijf van dit geheimzinnige. Voor ons is het goed, maar, hoe kan ik nou toch zo droog praten: ik vind het eerlijk gezegd gewoon verrukkelijk. Waarom zouden twee broers niet eens de maat te buiten gaan. We passen heel goed bij elkaar, we pasten destijds ook al bij elkaar toen we elkaar haatten en bijna doodranselden. Weet je nog? Er is niets dan deze oproep voor nodig, vermengd met een gezonde portie gelach, om beelden in jou op te rakelen, om ze aan elkaar te plakken, in te kleuren, vast te zetten, die het echt meer dan waard zijn om in je herinnering terug te halen. We waren, ik weet niet meer om wat voor reden, doodsvijanden geworden. O, wij wisten wat het is om elkaar te haten. Onze haat was beslist vindingrijk in het uitvinden van kwellingen en vernederingen die we elkaar over en weer bezorgden. Aan tafel smeet je ooit, om maar een enkel voorbeeld van die jammerlijke en kinderachtige stand van zaken te noemen, een bord met zuurkool naar me toe omdat je het niet laten kon en je zei erbij: “Hier, pak aan!” Ik moet je zeggen dat ik toen beefde van woede, alleen al omdat het voor jou een goede gelegenheid was mij zo hevig mogelijk te krenken, en ik niets terug kon zeggen. Ik pakte het bord aan, en was zelfs zo dom de smart van die krenking tot diep in mijn keel ten volle te doorstaan. Weet je nog hoe op een middag, het was een stille, doodstille, zomershete, door die doodse stilte heel idiote zondagmiddag, toen er eentje schoorvoetend in de keuken naar je toekwam om jou te vragen het weer goed te maken met mij. Het was een ongelooflijk karwei qua zelfoverwinning, kan ik je zeggen, om me zo door die gevoelens van schaamte en trots heen te wringen tot vlak voor jou, de figuur van de naar afwijzende minachting neigende vijand. Ik deed het en ik ben mezelf er dankbaar voor. Of dat ook voor jou geldt, dat laat me lekker en luchtig onverschillig. Dat maak ik zelf wel uit. Ga weg, want je wilt er iets tussendoor zeggen. Dat is simpelweg niet mogelijk. Wegwezen! – Wat heb ik sindsdien van vele heerlijke uren met jou genoten. Ik vond je opeens zachtaardig, beminnelijk, attent. Ik denk dat de gelukzalige vreugde op ons beider wangen brandde. We zwierven, jij als schilder, ik als toeschouwer en commentator, over de weiden op de brede bergen, baadden ons in de geur van het gras, in de nattigheid van de koele morgen, in de hitte van de middag en in het vochtige, verliefde ondergaan van de zon. De bomen keken naar ons, naar wat wij daarboven deden, en de wolken balden zich samen, vast uit woede omdat ze niet over de macht beschikten onze nieuwbakken liefde te breken. ’s Avonds kwamen we vreselijk gebroken, vervuild, verhongerd en vermoeid thuis, en opeens ging jij toen weg. Geen mens weet dat ik je hielp bij het wegreizen, alsof ik daar door handgeld toe verplicht was, of alsof ik haast had jou te zien opkrassen. Mij bezorgde het beslist een enorme vreugde jou te zien afreizen want je reisde de grote wereld tegemoet. Wat is die grote wereld verre van groot, broer. 

Kom toch gauw hierheen. Ik kan je onderdak bieden zoals ik een bruid onderdak zou bieden van wie ik mag aannemen dat ze gewend is op zijde te liggen en door bedienden bediend te worden. Ik heb weliswaar geen bedienden maar wel een kamer voor een geboren heer. Ik en jij, wij beiden hebben een schitterende kamer gewoon cadeau gekregen, voor onze voeten neergelegd. Jij kan hier net zo goed schilderijen maken als daar in jouw volle, vette landschap, je hebt toch fantasie. Eigenlijk zou het nu zomer moeten zijn zodat ik voor jou in de tuin een tuinfeest had kunnen organiseren met Chinese lichtjes en slingers van allemaal bloemen om jou enigszins waardig te ontvangen. Kom evengoed, maar zorg er wel voor dat je komst er snel aankomt, anders kom ik je halen. Mijn bazin en waardin drukt je de hand. Ze is ervan overtuigd dat ze jou al kent uit mijn verhalen over jou. Pas als ze jou kent, zal ze verder niemand meer op aarde willen leren kennen. Heb je een deftig kostuum? Slobbert je broek niet te erg om je knieën en kun je jouw hoofdbedekking nog hoed noemen? Anders hoef je niet aan mij te verschijnen. Allemaal grappen, allemaal onzin. Laat je door jouw Simontje omhelzen. Vaarwel, broer. Hopelijk kom je gauw.’ – 

 

Er waren enkele weken verstreken, het begon weer lente te worden, de lucht was vochtiger en zachter, er kondigden zich onbestemde geuren en klanken aan die uit de grond leken te komen. Die grond was zacht, je liep erop als op dikke, verende tapijten. Je dacht dat je vogels zou moeten horen zingen. ‘Het gaat lente worden,’ zo spraken gevoelige mensen elkaar op straat aan. Zelfs de kale huizen kregen een zekere geur, een vollere kleur. Het ging er heel merkwaardig aan toe, en toch was het zo’n oud, vertrouwd verschijnsel, maar je onderging het als iets volkomen nieuws, het zette aan tot raar, stormachtig nadenken, de ledematen, de zinnen, de hoofden, de gedachten, alles zette zich in beweging alsof het opnieuw wilde gaan groeien. Het water van het meer glansde zo warm en de bruggen die zich over de rivier slingerden leken een stoutmoediger boog te hebben gekregen. De vlaggen wapperden in de wind, en het deed de mensen genoegen ze te zien wapperen. Maar vooral de zon dreef de mensen in rijen en groepen de mooie, witte, schone straat op waar ze stil bleven staan om begerig de zoen van de warmte te voelen. Van veel mensen werden er veel jassen uitgedaan. Je kon zien hoe de mannen zich weer vrijer bewogen, en de vrouwen zetten zulke vreemde ogen op alsof er iets gelukzaligs uit hun hart zou kunnen komen. ’s Nachts hoorde je weer voor het eerst de klank van rondzwervende gitaren en mannen en vrouwen stonden te midden van het gewoel van vrolijke, spelende kinderen. De lichten van lantaarns flakkerden als kaarsen in stille kamers, en als je over nachtdonkere weiden liep voelde je het bloeien en bewegen van de bloemen. Het gras zal gauw weer groeien, de bomen zullen gauw weer hun groen over de lage daken uitstorten en de ramen hun uitzicht benemen. Het bos zal pronken, overvloedig, zwaar, o, het bos. – – Simon werkte weer bij een grote handelsfirma.

Het was een bankinstelling met een omvang van wereldbelang, een groot gebouw met een paleisachtig uiterlijk, waar honderden jonge en oude, mannelijke en vrouwelijke mensen in dienst waren. Deze mensen schreven allemaal met ijverige vingers, rekenden met rekenmachines, ook soms wel uit het hoofd, dachten met hun gedachten en maakten zich nuttig met hun kennis. Er waren daar nogal wat jonge, elegante correspondenten die vier tot zeven talen konden spreken en schrijven. Deze onderscheidden zich van het overige rekenvolk door hun verfijndere, buitenlandse aard. Ze hadden al op zeeschepen gevaren, kenden de theaters in Parijs en New York, hadden in Yokohama theehuizen bezocht en wisten hoe je je in Caïro vermaakte. Nu verzorgden zij hier de correspondentie en ze wachtten op salarisverhoging terwijl ze spottend over hun vaderland spraken, dat ze heel klein en nietig vonden. Het rekenvolk bestond overwegend uit oudere mensen die zich aan hun banen en baantjes vastklampten als aan balken en paaltjes. Ze hadden allemaal een lange neus van het vele rekenen en liepen in doorgezeten, doorgesleten, doorgestreken, doorgevouwen en doorgekreukte kleren. Maar er waren onder hen nogal wat intelligente mensen die zich misschien in het geheim aan vreemde, kostbare liefhebberijen overgaven om zo een leven te leiden dat dan wel stil en afgezonderd was maar toch altijd nog waardig. Veel van de jonge werknemers daarentegen waren niet in staat tot verfijnder tijdverdrijf, ze stamden meestal af van plattelandse grondbezitters, herbergiers, boeren en handwerkslieden, ze deden toen ze in de stad kwamen direct hun best zich een verfijnde stadsaard aan te meten, wat hun echter slecht lukte, en ze kwamen een zekere onbeholpen grofheid niet te boven. Niettemin, er waren daar ook stille jochies met een zachtaardig gedrag die vreemd afstaken tegen de andere lomperds. De directeur van de bank was een oude, stille man die je helemaal nooit zag. In zijn hoofd leken de door elkaar slingerende draden en wortels te zitten van die hele gigantische onderneming. Zoals de schilder denkt in kleuren, de musicus in klanken, de beeldhouwer in steen, de bakker in meel, de dichter in woorden, de boer in stroken land, zo leek deze man te denken in geld. Een goed idee van hem, op het juiste moment uitgedacht, leverde het bedrijf in een halfuur een half miljoen op. Misschien! Misschien meer, misschien minder, misschien niets, en ongetwijfeld verloor deze man geheel in stilte wel eens wat, en al zijn ondergeschikten wisten daar niets van, zij gingen als de klok twaalf uur sloeg eten, kwamen om twee uur terug, werkten vier uur, gingen weg, sliepen, ontwaakten, stonden op voor het ontbijt, gingen net als de dag ervoor weer het gebouw in, pakten hun werk weer op en niemand wist ergens van want niemand had tijd om iets van dit geheimzinnige te achterhalen. En de stille, oude, norse man dacht na in de directiekamer. Voor de aangelegenheden van zijn werknemers beschikte hij slechts over een matte, halve glimlach. Die had iets dichterlijks, verhevens, bepalends en wetgeverigs. Simon probeerde vaak in gedachten op de plek van de directeur te gaan zitten. Maar meestal verdween dit beeld en als hij erover nadacht, verdween eigenlijk ieder begrip: ‘Er zit iets trots en verhevens in, maar ook iets onbegrijpelijks en bijna onmenselijks. Waarom gaan al deze mensen, klerken en rekenaars, ja, zelfs meisjes op hun prilste leeftijd, toch door dezelfde poort hetzelfde gebouw in om iets te krabbelen, pennen uit te proberen, te rekenen en te gebaren, te zwoegen en neuzen te snuiten, punten te slijpen en papier in hun handen rond te dragen. Doen ze dat soms graag, doen ze het noodgedwongen, doen ze het vanuit het besef iets verstandigs en nuttigs te verrichten? Ze komen allemaal uit heel verschillende richtingen, ja, sommigen reizen er zelfs met de trein vanuit afgelegen streken naartoe, ze spitsen hun oren of er nog tijd is om voor aanvang een privétochtje te ondernemen, ze zijn daarbij zo geduldig als een kudde lammeren, ze verspreiden zich als het avond wordt weer in hun specifieke richtingen, en ’s ochtends om dezelfde tijd verschijnen ze allemaal weer. Ze zien elkaar, herkennen elkaar aan hun loop, aan hun stem, aan de manier waarop een deur geopend wordt, maar ze hebben weinig met elkaar te maken. Ze lijken allemaal op elkaar en zijn elkaar toch allemaal vreemd en als er iemand van hen sterft of iets verduistert, dan verwonderen ze zich daar een ochtend over, en dan gaat alles weer verder. Het komt voor dat iemand een beroerte krijgt tijdens het schrijven. Wat heeft hij er dan aan gehad dat hij vijftig jaar lang in het bedrijf “werkte”. Hij is vijftig jaar lang dezelfde deur in- en uitgegaan, hij heeft duizenden en duizenden malen in zijn zakenbrieven dezelfde zinswending gebezigd, hij is nogal eens van pak verwisseld en hij heeft zich er vaak over verbaasd hoe weinig schoenen hij versleet per jaar. En nu? Kun je zeggen dat hij heeft geleefd? En leven niet duizenden mensen zo? Waren zijn kinderen misschien de inhoud van zijn leven, was zijn vrouw de vreugde van zijn bestaan? Ja, dat kan het zijn. Ik wil liever niet betweterig doen over zulke dingen want ik houd mezelf voor dat mij dat niet past omdat ik nog jong ben. Buiten is het nu lente en ik zou wel het raam uit kunnen springen, zozeer doet dit lange, lange je-ledematen-niet-mogen-bewegen me pijn. Een bankgebouw is toch een stom ding in de lente. Wat voor een indruk zou een bankbediende bijvoorbeeld maken op een groene, welige weide? Misschien zou ik mijn schrijfpen aanzien voor een jonge, net uit de grond geschoten bloem. Ach, nee, ik mag niet spotten. Misschien moet het allemaal zo zijn, misschien heeft het allemaal een bedoeling. Ik zie alleen de samenhang niet omdat ik te veel het beeld zie. Dat beeld is een beetje ontmoedigend: voor de ramen de hemel, in je oren het zoete gezang. De witte wolken trekken langs de hemel en ik moet dan schrijven. Waarom heb ik een oog voor wolken? Als ik schoenmaker was, dan maakte ik tenminste nog schoenen voor kinderen, mannen en dames, zij gingen op een lentedag in mijn schoenen op straat wandelen. Ik zou de lente ervaren als ik mijn schoen aan die vreemde voet zag. Hier kan ik de lente niet ervaren, hij stoort me.’

Simon liet zijn hoofd hangen en hij was woest over zijn slappe gevoelens.

 

Op een avond toen hij naar huis liep, viel Simon op de brug bij avondverlichting een man op die met grote stappen voor hem uit liep. De gestalte met zijn bemantelde rijzigheid vervulde hem met een prettige schrik. Hij meende die loop, die broek, die merkwaardige ketel van een hoed, die fladderende haren te herkennen. De vreemde man droeg een lichte schildersmap onder zijn arm. Simon liep met iets snellere passen, bevangen door bevende vermoedens, en plotseling, terwijl hij ‘broer’ schreeuwde, vloog hij degene die daar liep om de hals. Kaspar omhelsde zijn broer. Ze liepen luid kletsend met elkaar naar huis, dat wil zeggen, ze hadden een tamelijk steile weg omhoog af te leggen, een berghelling op waarover de stad zich uitstrekte met tuinen en villa’s. Helemaal boven op de berg keken de kleine, vervallen voorstadhuisjes naar hen. De ondergaande zon vlamde in de ramen en maakte er stralende ogen van die strak en mooi in de verte keken. Beneden lag de stad, weids en wellustig over de vlakte uitgespreid als een fonkelend, glinsterend tapijt, de avondklokken, die altijd anders zijn dan ochtendklokken, galmden omhoog, het meer lag vaag afgetekend in zijn tere onuitsprekelijke vorm aan de voet van de stad, de berg en de vele tuinen. Veel lichten schitterden nog niet, maar voor zover ze schenen brandden ze met een prachtige, eigenaardige felheid. Er liepen en slenterden nu mensen daar beneden door al die kromme, verstopte straten, je zag ze niet maar je wist het. ‘In de elegante Bahnhofstrasse zal het nu heerlijk lopen zijn,’ zei Simon. Kaspar liep zwijgend voort. Hij was een geweldige kerel geworden. ‘Zoals hij voortstapt,’ dacht Simon. Eindelijk kwamen ze bij hun huis aan. ‘Wat? Je woont aan een bosrand?’ lachte Kaspar. Ze gingen beiden het huis binnen.

Toen Klara Agappaia de nieuwkomer in het oog kreeg begonnen haar grote vermoeide ogen vreemd te vlammen. Ze sloot haar ogen en boog haar mooie hoofd terzijde. Je kreeg niet de indruk dat ze zeer grote vreugde beleefd had bij het zien van deze jongeman, het drukte iets heel anders uit. Ze probeerde onbevangen te doen, te glimlachen zoals je hoort te glimlachen wanneer je iemand welkom heet. Maar het lukte haar niet. ‘Ga naar boven,’ zei ze, ‘ik ben vandaag zo moe. Wat raar. Ik weet werkelijk niet wat ik heb.’ De twee zochten hun kamer op: die werd verlicht door de maan. ‘We doen helemaal geen licht aan,’ zei Simon, ‘laten we zo naar bed gaan.’ – Toen klopte er iemand aan de deur, het was Klara, ze zei terwijl ze buiten stond: ‘Hebben jullie wel alles wat jullie nodig hebben, missen jullie nu niks?’ – ‘Nee, we liggen al in bed, wat zouden we kunnen missen.’ – ‘Goedenacht, vrienden,’ zei ze, en ze opende de deur een beetje, sloot hem weer en liep weg. ‘Ze lijkt me een merkwaardige vrouw,’ dacht Kaspar. Toen sliepen ze allebei.

 

Vertaling Machteld Bokhove
Paperback met flappen, 304 blz.
Prijs: € 22,50
ISBN 9789492313799
Verschenen januari 2020

Robert Walser

Ook interessant: