In De straffeloze komt H tot het inzicht dat schuldig kunnen zijn de mens wezenlijk onderscheidt van het dier en dat het dragen van schuld hem dus pas werkelijk menselijk maakt. Derhalve gaat hij op zoek naar schuld en straf.

Een volmaakte moord wil hij plegen. In literatuur en speelfilms wordt onder een volmaakte moord steevast een moord verstaan die op zodanige wijze is voorbereid en uitgevoerd dat er geen dader te vinden is. Voor H is de volmaakte moord die waarbij juist een schuldige bestaat zonder dat er ooit een slachtoffer bekend zal hoeven worden. 

Zo bekeken is de verbeelding het slagveld waar de mens zijn strijd met God uitvecht. De verbeelding is de crime scene, de plaats delict, en daar getuigt De straffeloze op elke bladzijde van. H stelt zich voortdurend moorden en straffen voor. In zijn verbeelding overtreedt hij elk verbod, niet alleen dat van de wetenschap (hij wil een misdaad plegen die niet gehoorzaamt aan de oorzaak-gevolglogica), maar ook dat van de religie.’ Knack

‘De rode draad in de novelle is de schuldvraag. H komt tot het inzicht dat schuldig kunnen zijn de mens wezenlijk onderscheidt van dieren, en dat het dragen van schuld hem dus pas werkelijk menselijk maakt. Daarom wil hij een volmaakte moord plegen. Een moord waarbij een schuldige bestaat zonder dat er ooit een slachtoffer bekend zalworden.’ De Limburger

‘Niet wat je noemt een fraaie zin, maar Beurskens schreef dit boek duidelijk niet om gecomplimenteerd te worden met de fraaie zinnen. H kijkt, voelt en denkt ongevoelig, en dat vind je terug in de formuleringen. Pas op het einde, wanneer H zich overgeeft aan de euforie van de geplande moord die hij niet pleegde, komt er ineens een fraaie, associatieve woordenstroom tot stand: H ontsnapt tijdelijk aan zijn beklemming. Camus en Kafka kijken om de hoek van deze kleine parabel die steeds dicht langs de werkelijkheid schuurt. Je kunt de wandelingen van H rondom het Oosterpark en de Dapperstraat letterlijk navolgen. Al is het nu beter om thuis te blijven.’ De Groene

‘Huub Beurskens maakt van De straffeloze een slimme filosofische Rêverie, tjokvol literaire referenties en soms plechtstatig van toon.’ De Morgen

‘H vindt zichzelf de perfecte persoon om een moord te plegen, al past in potentie iedereen in het plaatje van een moordenaar volgens de opvatting dat ‘in ons allemaal, dus ook in onze slachtoffers, agressie, gewelddadigheid en moordzucht sluimeren.’ Heeft H een punt en is het de schuld die ons als mens valideert? Of is dat misschien toch het accepteren van de onvermijdelijke dood en het verlies van het leven? H stelt zich beide vragen maar betreedt met de laatste een nieuwe cyclus in de zoektocht naar zingeving. Hoe dan ook: De Straffeloze is een prachtige roman die aanzet tot nadenken en herlezen.’ Literair Nederland 

‘Huub Beurskens is niet voor niets een prijswinnende auteur, dit verhaal onderstreept dat wederom.’ NBD

 

Over Steyler:

Bart Vervaeck op De Reactor: ‘De pret wordt in geen geval gedrukt in Steyler. Zoals alle romans van Beurskens, is ook dit boek een virtuoze, spannende en bijwijlen adembenemende constructie die blijft doorwerken lang nadat je de laatste bladzijde gelezen hebt.’

Het evangelie volgens Hubertus

Sebastiaan Kort in NRC: ‘Wat we hier zien is iemand die zich zelfs zijn eigen aanstaande aftakeling zo grandioos, zo welbespraakt voor-
stelt dat de echte aftakeling straks on-
getwijfeld best wel meevalt.’

Interview De Limburger over Steyler: https://www.limburger.nl/cnt/dmf20180928_00074915/steyl-in-de-diepte-en-in-de-breedte

 

Daar H al lang niet gelooft in enige vorm van oordeel na de dood, staat tegenover de wandkapstok in de kleine vestibule van zijn etagewoning een van zijn twee keukenstoelen met eronder een hertenleren reistas.

Wanneer het zover is wil hij op de stoel bij de gesloten voordeur zitten, met zijn blik op de meest geschikte jas voor het weer van de voorjaarsdag en zijn gehoor gespitst op geluiden op de trap en de overloop. 

Hij twijfelt er nog over of hij bij het eerste kloppen of bonzen zijn jas zal aantrekken, zal opendoen om dan meteen zijn armen met omhooggedraaide polsen naar voren te strekken of dat hij met zijn jas al aan en zijn armen alvast in die houding zal blijven zitten tijdens de breek-, kraak- en versplintergeluiden.

Want hoort het er niet bij dat de toegang tot zijn woning wordt geforceerd, draagt juist dat niet bij aan de ernst en het gewicht van zijn zaak?

Ook over de hertenleren reistas twijfelt H nog, hoewel die zorgvuldig is gepakt.

Uiteraard zit er een etui in met tandenborstel, tandpasta en scheergerei.

Verder badslippers, ondergoed, een pantalon, een paar sokken en overhemden, een doosje aspirine. 

Maar zal hij nog de kans krijgen om de tas bij zijn hengsels te pakken en mee te nemen?

Met zijn polsen in de boeien?

Wie weet worden zijn armen allereerst bruusk achter zijn rug gedraaid alvorens zijn polsen worden samengesnoerd.

Zal iemand de tas dan op zijn verzoek voor hem meenemen?

Heeft hij de kans om ook maar iets te zeggen terwijl het duistere oog van een Walther of zelfs een semiautomatische pistoolmitrailleur hem fixeert?

Zal hij niet onmiddellijk de zwarte zak over zijn hoofd krijgen?

Afgezien daarvan: staan ze hem daar waar hij naartoe wordt gebracht wel het gebruik van persoonlijke bezittingen toe?

Hebben ze daar niet om redenen van veiligheid, maar ook omdat praktisch niemand geheel en al in gereedheid thuis zal zitten wachten om te worden weggevoerd, eigen tandenborstels, veiligheidsscheermesjes, uniforme onder- en bovenkleding alsook allerlei soorten tabletjes beschikbaar?

Anderzijds zal ook de reistas kunnen bijdragen aan de ernst en het gewicht van zijn zaak.

Want wie behalve hij weet wat erin zit?

Wie anders zal de tas openen, ook wanneer men H laat verklaren wat die bevat, dan iemand van de explosievenopruimingsdienst?

Na afzetting van de straat en de evacuatie van de etage boven hem, die onder hem, de benedenwoning en de belendende panden.

Hij zou een hond als huisdier kunnen nemen.

Maar hij moet er niet aan denken hier over een jaar of twaalf levenloos te worden aangetroffen nadat hij de whippet al maandenlang elke dag drie keer de houten trappen af en weer op gedragen heeft, waarbij hij zelf houvast heeft moeten zoeken aan de spijlen van de overloopbalustrade, de muur en de leuningen, en de whippet liever in zijn mand zou zijn blijven liggen of met H samen op bed. 

Juist zo’n whippet lijkt aanvankelijk wel wat voor iemand die zijn woning op tweehoog anders praktisch niet meer zal verlaten, immers voor alles schijnt het te laat, voor een nieuwe liefde zowel als voor nieuw verdriet.

Een paar instapsloffen kopen, uit de ouderwetse tabakszaak op de hoek een stel pikante fotobladen – worden die nog verkocht? – na een bezoek aan de slijter ernaast – maar of dat afdoende is tegen de gedachte aan de ultieme pillen?

Beter dus praktisch altijd onderweg, als gehaast, bijna in draf, met de whippet door de stad.

Het park als bos, meer en veld.

En misschien een keer naar zee.

Wanneer de zon de hele dag niet schijnt en het zo vinnig koud waait dat het strand mensverlaten is. 

Maar op een gegeven moment lijkt het wel een lang vervlogen tijdperk waarin de windhond niets liever wilde dan rennen, een weids veld in, achter hazen aan, desnoods achter een namaaksleephaas op een wedrenbaan, en sta je op een avond laat voor een al lang lege sportkledingzaak om jezelf in het zwart van de etalageruit te ontwaren.

Dit ben je dan.

Een gebogen grijze man in een te lang geworden overjas met een onder zijn dekentje rillende oude whippet in de stad. 

Geërgerd door het aanhoudende gehuil van de hond timmeren buren vergeefs op de deur.

De agent die na het forceren van de toegang als eerste in de kleine vestibule stapt vloekt luidkeels omdat hij prompt in de hondenderrie trapt.

Een uur later word je in een dichtgeritst foedraal vastgegespt op een draagbaar naar beneden getransporteerd, gevolgd door iemand met de oude whippet in zijn armen.

Je weet wel waarheen en waartoe.

En het enige wat de buren met compassie van je weten te melden, net als over je hond, is dat er geen kwaad in zat.

In een tijdens schooluren stil plantsoen, waar H op een bank in de ochtendzon is gaan zitten, zijn de eerste narcissen van hetzelfde knalgeeloranje als de snavel van de merelman die door het verse grasgroen komt aanhippen.

Voor de ogen van H plukt de merel ongegeneerd uit de natte zwarte aarde in twee, drie rukken een zich kronkelende regenworm om het delicate levenswonder van vochtige cuticula, elastisch spierweefsel, borstels en aderen, darm en tyflosole, zenuwstreng, zenuwknopen en nefridium, door te slikken en op een jubelend pannendak in de avondzon uit te schijten wat er van resten zal, ware het niet dat H de pierendoder bij zijn kweelkeel gepakt ziet worden door een rode kater die hij ongestoord naderbij heeft laten sluipen.

Daarna slentert H naar de openbare bibliotheek omdat hij tot zijn schande, vindt hij, van de anatomie van de regenworm volstrekt niets weet.

De altijd met gevaar voor eigen leven bovengronds te voltrekken paring van regenwormen, leest hij, neemt maar liefst drie tot vier uur in beslag.

Hij voldoet geheel aan het profiel, vindt H van zichzelf.

De filosofe Hannah Arendt die het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem bijwoonde, schreef in haar boek over dat proces dat het onrustbarende aan de persoon Eichmann was dat hij net zo was als heel veel anderen, en dat die velen pervers noch sadistisch, maar verschrikkelijk en schrikwekkend normaal waren en zijn.

Uit het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Arendts boek, dat H van de openbare bibliotheek heeft geleend, meent hij te begrijpen dat deze observatie aanvankelijk op nogal wat verontwaardiging stuitte.

Als betrof het een privémening.

Maar gaandeweg vatte vrij algemeen juist de opvatting post dat in ons allemaal, dus ook in onze slachtoffers, agressie, gewelddadigheid en moordzucht sluimeren.

Ervan afgezien dat die opvatting of dat inzicht in H’s ogen grote overeenkomsten vertoont met het christelijke denkbeeld van de erfzonde, is het toch ook zo dat menige moordenaar er volkomen normaal uitziet, uiterlijk volstrekt niet te onderscheiden van de meeste anderen, dat hij juist geen opmerkenswaardig fysiek voorkomen heeft, geen zeldzame extreme wervelkolomvergroeiing, geen markante of gedrochtelijke, bultige kop?

Dat geldt geenszins alleen voor zogeheten Schreibtisch-mörder.

Wat zou in een drukke tram of trein, in een winkelstraat, in een stadion, op een luchthaven of zelfs in een stil plantsoen opvallend zijn aan iemand met het uiterlijk van een Marc Dutroux, een Ted Bundy, Anders Breivik, Brenton Tarrant of Jihadi John, wanneer je die personen niet van televisiebeelden en krantenfoto’s als moordenaars zou kennen?

Niets toch?

Wie kan in een menigte op grond van diens uiterlijk degene aanwijzen die aanstonds of ooit een halsmisdaad zal begaan?

Niemand toch?

Wat dan te denken van jezelf?

Of van H?

Paperback met flappen, 120 blz.
€ 19,50
ISBN 9789492313904
Verschenen maart 2020

Huub Beurskens

Ook interessant: 

Notities van Nemo - H.C. ten Berge