Ewout Meyster is zeventien en denkt de wereld en het leven begrepen te hebben, en dat zal hij zijn naïeve vriendjes wel eens tonen. Verbazen wil hij hen, maar ook de wereld, met zijn ‘optredens’ op straten en pleinen. In gesprekken met zijn vrienden legt hij uit hoe je een echte persoonlijkheid wordt, en wat je moet doen om belangrijk te worden en niet ‘onbenullig’ te blijven. Voor Ewout is het belang van deze gesprekken erin gelegen dat hij, zichzelf spiegelend aan de ‘onbenullige’ vriend tegenover hem, zijn eigen superioriteit oefent en tegelijkertijd bewezen ziet. 

In De hoogstapelaar zien we de terugkeer van Ewout Meyster. In De verboden tuin (1986) probeerde hij de paradijselijke wereld van zijn eerste kinderjaren te hervinden. In De opdracht (1995) oefende hij als veertienjarige om populair en indrukwekkend te zijn tussen de oudere jongens in het zomerkamp. In De hoogstapelaar waant Ewout zich de situatie geheel meester, maar tegelijkertijd is hij onderhevig aan de krachtige tegenwind van zijn depressies en zijn angsten.

Volgt

Zo’n hoofd, zo’n gezicht hebben. Hij staarde naar de foto
van de dirigent in het glanzende tijdschrift. Zo’n hoofd
hebben, zo’n gezicht met net zo’n kaak en ook die groeven

en donkere holten onder de krachtig uitstekende jukbeen-
deren, en de nobele welving van de iets gebogen neus. En

natuurlijk zulke ogen; ogen, sterk en dwingend, maar toch
met minzaamheid en begrip. Zo’n gezicht, zo’n uiterlijk, de
voorsprong die je dan had. Hij zou de foto uitknippen en
bewaren bij de andere bewonderenswaardige foto’s die hij

uitgeknipt had en bewaard, opgeborgen in zijn kamertje on-
der schriftjes en boeken. Foto’s die hij steeds tevoorschijn

haalde in de stilte van zijn kamertje en steeds opnieuw be-
keek, zich inleefde hoe het was te zijn zoals zij: zo superieur

en krachtig, zo soeverein eigenlijk. En al kijkend, al verzin-
kend in hun aanblik dat gevoel zelf ook te krijgen; haast of

zo’n gezicht, krachtig en minzaam, ook in hem ontstond
terwijl hij keek, ergens in hem groeide. Zo’n gezicht hielp.

Als je maar zo’n gezicht had, en de kalme rustige bewegin-
gen die daarbij hoorden, die dan eigenlijk als vanzelf over

je kwamen (en niet zenuwachtig en stotterend, zoals hijzelf
vroeger geweest was, weggezogen uit zichzelf om maar te
antwoorden, te reageren, en aan de vraag die anderen waren
te voldoen; dankbaar voor hun aandacht – maar rustig zoals
nu, nu hij wist hoe het moest).


De dirigent bijvoorbeeld, hoe hij daar stond en zijn orkest
tegenover hem – wat lager dan hij zodat hij op ze neerkeek.

En bij de geringste wenk van hem bewogen ze, bij de gering-
ste blik, en geen twijfel daarover kon er zijn. Of die heersers

en machtigen van wie hij foto’s bezat. En hij zag de menig-
ten voor zich op pleinen en straten die riepen en juichten,

reagerend op hun woorden – maar eigenlijk op wie ze wa-
ren, als door onzichtbare krachten gedwongen; en die krach-
ten waren zijzélf. Zo moest het. Zo hoorde het. Koel moest

je zijn, hard. Jij koos, en de wereld antwoordde.
Hij zou de foto aan Meindert laten zien, maar misschien ook
aan Frits, die straks langs zou komen. Frits, die problemen
had en zorgen en daarover met hem wilde praten (net als
andere jongens – ook meisjes soms – die zijn raad zochten,
zijn hulp – nu al, terwijl hij nog maar zeventien was). Drie
uur, had hij gezegd tegen Frits, drie uur precies, dan heb ik
tijd voor je. (Ja, druk had hij het, maakte dat duidelijk, veel
andere dingen te doen. Heel bijzonder dat hij zomaar tijd
had, heel speciaal dat Frits langs kon komen.)
Dankbaar was Frits geweest, bescheiden kuchend. Frits
met zijn veel te grote neus, en daaronder zijn kin, of eigenlijk
geen kin; een kin terugwijkend naar zijn hals en daaronder
opbollend zacht vlees als hij naar beneden keek – geen kaak,
helemaal geen kaak. Hoe kon je zo bestaan, hoe kon je zo
leven. Als hij zo’n kaak had, of liever zo’n gebrek aan kaak,
zo’n gemis (iets treurigs en hinderlijks was dat, iets wat je
weerhield te zijn wie je hoorde te zijn en te worden wie je
voor je zag), als híj zo’n kaak had, zou hij daar steeds over
nadenken en zijn kaak oefenen, zijn kaak naar voren steken,


hoe moeilijk dat ook was. Of ’s nachts in bed als niemand
het kon zien, een verband om zijn kaak teneinde hem te
dwingen naar voren te staan. Met zo’n kaak die terugweek,
die niet naar voren stak, was je een ander dan je hoorde

te zijn. Want ook anderen zagen die kaak, of liever, ze za-
gen dat gemis, dat gebrek, en alles wat je zei, wat je deed

was daarmee verbonden (jawel, mooie woorden spreekt hij,
krachtige, mannelijke gedragingen – zeker, zeker. Maar ja,
die káák…) En Frits wist het niet, hij leefde gewoon verder,
hij dacht er niet aan. Terwijl hoe je eruitzag, je houding,
je gezicht en ook je kaak, toch alles bepaalde, alles wat je
deed en zei een andere vorm en waarde gaf, maar vooral een
andere uitstraling – die verborgen kracht die naar anderen
uitging en die hen vormde en veranderde; een kracht die je
in jezelf moest wekken door houding, uiterlijk en gedrag.
En ook door je stem; een stem rustig en beheerst met kalme
superioriteit. Het strenge regime dat je jezelf moest opleggen
om zo te zijn. Anders had je geen toekomst.
‘Je hebt een beetje een terugwijkende kin,’ had hij een

keer tegen Frits gezegd, ernstig en meelevend naar hem kij-
kend. ‘Zou je daar niet iets aan doen? Als je hem meer naar

voren steekt, dan zou je gezicht heel anders zijn, manne-
lijker, krachtiger. Dat is belangrijk joh.’ En rondogig had

Frits teruggekeken, verbaasd, bevreemd, hij wist van niets.
Kin? Kin? Kaak? En, nee dat kon hij niet – giechelen bij die
woorden, raar lachen.
Maar niet alleen die kaak was er, die kin en dat giechelen

en raar lachen, ook die rare kleren en zijn wat dikkige ge-
stalte; een gestalte vrijwel zonder nek, zijn heupen bijna net

zo breed als zijn schouders, en rare bruine truitjes, soms ook


een bruine broek en schoenen. ‘Je lijkt wel een grote drol,’
had hij een keer gezegd. Niet pestend of jouwend, maar
streng en ernstig. Een kille constatering.
Ach ja Frits; hij moest hem helpen en het hem uitleggen.
Een warm gevoel van mededogen en begrip welde in hem
op als hij aan Frits dacht, iets zachts en beschermends zoals
je ook bij dieren had die argeloos en onschuldig alles van je
verwachtten. Hij zou streng zijn, maar ook begripvol. En hij
zou het ook aan de andere jongens, zijn vrienden, vertellen –
Frits begrijpt het nog niet helemaal. Je moet geduld met Frits
hebben –; zijn vrienden, jongens die hem bewonderden, die
altijd bij hem wilden zijn – Egbert, Chris, Rudie, Meindert,
Jan –, en die vol verwachting naar hem keken, luisterend
naar zijn woorden – wat had hij nu weer gezegd, die Ewout,
wat deed hij nu weer. Tjonge, die Ewout. En gedragen door

hun instemming, hun verwachtingsvolle blik, deed hij, han-
delde hij, alsof ook hun kracht hem voortdreef, alsof zij zich

aan hem toegevoegd hadden, zij het lichaam waren dat zich
door hem uitte, en ook hun kracht, hun aanwezigheid de
zijne was geworden, één met hem; net of hij verdubbeld was
– nee, meer dan dat, verveelvoudigd, ontstegen aan zichzelf
dankzij hen. Onkwetsbaar was hij.
‘Jullie moeten Frits een beetje ontzien,’ zou hij zeggen,
‘hem een beetje helpen, hij begrijpt het nog niet.’ En ook
Frits zou zich daarna bij hen voegen, kijkend naar hem, en
lettend op de anderen; op hun houding, hun aandacht, en
zich bij hen aansluitend zijn aanwezigheid vermeerderen.

Frits. Ook al had hij een terugwijkende kaak, zijn gladge-
schoren kin was blauwig van de nu al krachtige baardgroei.

Hij wel – en hij lette daar zelfs niet op, hij dacht daar niet


over na, niets in zijn gedrag bewees dat hij het besefte; het
voordeel dat hij had, de voorsprong, de mannelijke allure
die zo’n baardgroei gaf. Terwijl hijzelf, hij, Ewout, alleen de
paar verspreide donzig blonde stoppeltjes op zijn wangen en
vooral zijn kin elke dag zorgvuldig schoor – want scheren
hielp, stimuleerde de haargroei. Maar helpen deed dat nog
niet. Het oneerlijke voordeel van die jongen, iemand die zo
onbenullig was. Hij wel een baard, hij wel. En misschien
ook wel haar op zijn borst; zo’n vacht van haren die bewees
wie je was, die je kracht toonde. En hijzelf: geen haar was
op zijn borst te bekennen. Glad en strak was de huid van

zijn borst als de huid van een kind. Oneerlijk, eigenlijk on-
draaglijk en beschamend was dat. Zeventien was hij al, bijna

achttien, en kijk eens aan, nog niets, geen baard, geen haren.

Misschien zou hij anders moeten eten – of minder mastur-
beren, misschien zou dat verschil maken, want de kracht die

je dan verloor.
In de diepte van de huiskamer in de grote ovale spiegel met
donkerbruine lijst naast de deur die naar de gang voerde,
keek hij naar zijn gezicht. Teleurstellend gewoontjes was
zijn gezicht, zelfs hier bij het gedempte en indirecte licht dat
door twee ramen naar binnen viel. Geen bijzondere trekken,
geen beschaduwde holten onder zijn jukbeenderen. En zijn
kaak… Alleen maar de onderkant van zijn gezicht was die

kaak – meer niet –, glad en vormloos aansluitend, een over-
gang was niet te zien naar zijn wangen, zijn mond en zijn

lippen. Niets was zichtbaar van de krachten die hij in zich

had en waarvan hij wist. Misschien moest hij zijn mond-
hoeken naar beneden trekken en zo zijn wangen strakker en


vlakker maken. Maar het was onnatuurlijk en vreemd wat
hij nu zag; niet de ontspannen argeloosheid van een gezicht
dat duidelijk maakte wie hij was. Nee, het was al een daad
als hij zo’n gezicht trok, een keuze – fout was die mond,

fout het gezicht dat hij dan kreeg; net of hij een beetje nij-
dig, een beetje wrokkig en misprijzend was; hij zag het zelf.

Maar niet op de goede manier nijdig en wrokkig. En wrok

was nooit goed, en nijdig zijn ook niet; dat was machte-
loosheid. Het betekende dat je al verloren had en niet meer

goed durfde. Het was geen moed, geen echte boosheid, die
dan zichtbaar was; het was de machteloze, bijna heimelijke
woede van de zwakke, de verliezer die niet echt boos durfde
te zijn. Zo’n gezicht was fout, die mondhoeken, dat nijdige
en wrokkige en ook afwijzende dat het uitdrukte. Nee, zo
moest het niet. Net zoals dat fronsen, dat hij ook nu weer in
de spiegel zag – ongemerkt fronsen, samentrekken van zijn
wenkbrauwen, vernauwen van zijn ogen, hij wist van niets.

Ook dat was verkeerd, het leek dan of hij nadacht, zich er-
gens op concentreerde, afgesloten, afgewend van de wereld

die hem omgaf, alsof hij zich terugtrok in zichzelf, maar niet
op de goede manier; niet argeloos en ontspannen omdat hij
zeker was van zichzelf en van de dingen. Nee, ontwijken,

afsluiten leek het, alsof je op je hoede was in plaats van ont-
spannen en vrij. En de anderen zagen dat, zagen dat fronsen

en ontwijken. Herkenbaar zou hij dan voor hen zijn; meet-
baar. Nee, ook niet meer fronsen, daar moest hij voortaan

op letten. Argeloos en ontspannen moest zijn gezicht zijn,
maar toch hard en vastbesloten – niet om te reageren op
wat zich voordeed, mee te doen concurrerend met anderen,
zijn best doend om zich te bewijzen, zich aan hen te tonen.



Nee, verbazen moest je ze, verrassen; vrij blijven, onschok-
baar zijn, nooit reageren op wat anderen zeiden of deden,

want dat was de val; dan was je vormbaar naar wat anderen
van je wilden en wegdwalend van wie je hoorde te zijn. Of
wel reageren, maar anders dan ze verwachtten, ze verbazen
en verrassen, steeds in verwarring houden. Vrij was je dan,
beschikbaar voor wie je wilde zijn.
Hij keek naar zijn ogen, roerloos terugkijkend naar hem in

de spiegel. Als camera’s moesten zijn ogen zijn, koel en onbe-
wogen en iets opengesperd om elk turen en scherp kijken te

vermijden – want ook dat was inzet, ook dat was herkenbaar
zijn. Nee, roerloos onbewogen starend als camera’s. Hij zag
het in de spiegel. Altijd zou hij veilig zijn als hij dat maar
vasthield, dat nooit vergat: deze blik, deze koele hardheid,
die hij nu kon tonen – wat anderen ook zeiden of deden,
geen reactie zou er zijn. En dan zomaar plotseling, omdat
hij, hijzelf, dat wilde een kleine glimlach, of nee minder, een
glanzen, een fonkelen in zijn ogen. Hij zag het ook nu in de

spiegel, alleen zijn ogen en iets daaronder een samentrek-
ken en opduwen – ook dat kon hij nu, niets was voor hem

onmogelijk. En als anderen dat zagen, dat opglanzen in zijn

ogen (hij wist het, ook gisteren was dat zo geweest, giste-
ren in de jazzkelder. Iets zette uit in zijn borst, zijn longen

als hij eraan dacht – gisteren pas toen hij opnieuw toonde
wie hij kon zijn, en alles meeboog met zijn wil ((alleen die
vermoeidheid plotseling, opnieuw die uitputting, zomaar –
de machteloosheid dan)).) En als anderen dat zagen – zijn

glimlach – glimlachten ze ook, opgelucht omdat hij geglim-
lacht had. Maar niet hij reageerde, zij reageerden op hem,

en meteen glimlachte hij niet meer, staarde hij roerloos en


onbewogen. Die macht bezat hij nu, niet glimlachen als ze
dat verwachtten en dan plotseling opnieuw zijn glimlach,
maar ingehouden, de weerschijn eerder van een glimlach.
Want meeglimlachen met anderen dan liep je in de val; zij
glimlachten en jij glimlachte ook; en ze werden vriendelijk

en amicaal, en ze lachten en ze hadden praatjes en verha-
len – ze rekenden op je reacties en je antwoorden. Ze kwa-
men te dichtbij; ze kwamen in de ruimte die de jouwe was,

alsof ze aan je trokken en in je duwden met hun verhalen,

hun lachen, hun zekerheid, alsof ze je wegvoerden van je-
zelf. Onvrij was je dan, alsof je een pop was die anderen

bespeelden. En als je dan toch zweeg en staarde, niet langer

reageerde… Te laat was het dan, te laat; saai was je en onbe-
nullig, een jongen die niet meedeed, in plaats van raadsel-
achtig en vreemd. Nee, vrij zijn, vrij blijven, nooit reageren.

Of wel reageren, maar anders dan ze verwachtten, reageren
met ongrijpbare, niet te plaatsen reacties die geen antwoord
waren, niet aansloten bij hen, maar die iets anders brachten,
iets nieuws wat ze verraste en verbaasde. De ruimte om hem

heen die dan ontstond door hun bevreemding, hun onge-
mak. Afgeremd, stilgezet in wie ze waren, werden ze dan;

afgeremd en stilgezet door hem, Ewout. En in de ruimte
die dan rondom hem opengegaan was, sprak hij opnieuw,
handelde hij en bewoog. Niets was voor hem onmogelijk,
als hij maar oplette, waakzaam was, strak en onbewogen
bleef. De verantwoordelijkheid die dat steeds weer gaf, de
eis bij alles die het meebracht – elke dag opnieuw zou dat
moeten – en steeds nieuwe eisen, steeds nieuwe opdrachten
zouden er zijn. Er zou geen einde aan komen. De dodelijke
vermoeidheid die hij soms voelde. Maar ontsnappen was



niet mogelijk, want hoe dán verder leven? Grauw en onop-
vallend wegduiken tussen de anderen? Vlak en onzichtbaar

zijn, en zo leven zonder eisen, zonder verantwoordelijkheid,
gezichtsloos voortspoelend door de tijd? Nee, dan had je al
verloren, dan was de dood er al. Nee, ontkomen was niet
mogelijk.
Maar zoals gisteren, gisteren nog maar, in de jazzkelder, hoe
hij zich daar getoond had, en had laten zien hoe hij kon
zijn. Als hij daaraan terugdacht; het schokje van vreugde dat
door hem heen ging, bijna of hij zijn adem inhield, of nee,
alsof zijn adem stokte, en daarna het brede uitademen haast
of alles stilstond om hem heen, in rust neerlag. Zo’n gedrag,
zo’n houding had hij nu al. Dat zou toenemen en groeien
tot hij zou worden degene die hij hoorde te zijn. Maar ook
nu: de greep op alles die hij reeds bezat, de kracht. Hij zou
worden! Hij zou zijn!

Paperback met flappen, 376 blz.
€ 22,50
ISBN 9789492313638
Verschijnt eind februari 2019

Auteur