Ewout Meyster is zeventien en denkt de wereld en het leven begrepen te hebben, en dat zal hij zijn naïeve vriendjes wel eens tonen. Verbazen wil hij hen, maar ook de wereld, met zijn ‘optredens’ op straten en pleinen. In gesprekken met zijn vrienden legt hij uit hoe je een echte persoonlijkheid wordt, en wat je moet doen om belangrijk te worden en niet ‘onbenullig’ te blijven. Voor Ewout is het belang van deze gesprekken erin gelegen dat hij, zichzelf spiegelend aan de ‘onbenullige’ vriend tegenover hem, zijn eigen superioriteit oefent en tegelijkertijd bewezen ziet. 

In De hoogstapelaar zien we de terugkeer van Ewout Meyster. In De verboden tuin (1986) probeerde hij de paradijselijke wereld van zijn eerste kinderjaren te hervinden. In De opdracht (1995) oefende hij als veertienjarige om populair en indrukwekkend te zijn tussen de oudere jongens in het zomerkamp. In De hoogstapelaar waant Ewout zich de situatie geheel meester, maar tegelijkertijd is hij onderhevig aan de krachtige tegenwind van zijn depressies en zijn angsten.

Te Gussinklo schrijft onweerstaanbaar. Herkenbaar maar eigen, vrij van conventie, geestig en tijdloos. […]
Zo trommelt hij het tragikomische portret op van een onvergetelijke jongen, zo onweerstaanbaar kwetsbaar.’
de Volkskrant *****

‘In een fraaie roman over een opstandige jongen laat de schrijver opnieuw zijn grote kracht zien.’ NRC Handelsblad *****

‘Ons literaire landschap kampt soms
met een gebrek aan durf, maar aan 
Te Gussinklo ligt het alvast niet – zo’n vreemde eend in de bijt moeten we koesteren.’ HUMO *****

‘Met zijn zuigende, repetitieve stijl schildert Te Gussinklo de innerlijke gesteldheid van zijn hoofdpersoon op weergaloze wijze.’ Trouw

Zo’n hoofd, zo’n gezicht hebben. Hij staarde naar de foto van de dirigent in het glanzende tijdschrift. Zo’n hoofd hebben, zo’n gezicht met net zo’n kaak en ook die groeven en donkere holten onder de krachtig uitstekende jukbeenderen, en de nobele welving van de iets gebogen neus. En natuurlijk zulke ogen; ogen, sterk en dwingend, maar toch met minzaamheid en begrip. Zo’n gezicht, zo’n uiterlijk, de voorsprong die je dan had. Hij zou de foto uitknippen en bewaren bij de andere bewonderenswaardige foto’s die hij uitgeknipt had en bewaard, opgeborgen in zijn kamertje onder schriftjes en boeken. Foto’s die hij steeds tevoorschijn haalde in de stilte van zijn kamertje en steeds opnieuw bekeek, zich inleefde hoe het was te zijn zoals zij: zo superieur en krachtig, zo soeverein eigenlijk. En al kijkend, al verzinkend in hun aanblik dat gevoel zelf ook te krijgen; haast of zo’n gezicht, krachtig en minzaam, ook in hem ontstond terwijl hij keek, ergens in hem groeide. Zo’n gezicht hielp. Als je maar zo’n gezicht had, en de kalme rustige bewegingen die daarbij hoorden, die dan eigenlijk als vanzelf over je kwamen (en niet zenuwachtig en stotterend, zoals hijzelf vroeger geweest was, weggezogen uit zichzelf om maar te antwoorden, te reageren, en aan de vraag die anderen waren te voldoen; dankbaar voor hun aandacht – maar rustig zoals nu, nu hij wist hoe het moest). 

De dirigent bijvoorbeeld, hoe hij daar stond en zijn orkest tegenover hem – wat lager dan hij zodat hij op ze neerkeek. En bij de geringste wenk van hem bewogen ze, bij de geringste blik, en geen twijfel daarover kon er zijn. Of die heersers en machtigen van wie hij foto’s bezat. En hij zag de menigten voor zich op pleinen en straten die riepen en juichten, reagerend op hun woorden – maar eigenlijk op wie ze waren, als door onzichtbare krachten gedwongen; en die krachten waren zijzélf. Zo moest het. Zo hoorde het. Koel moest je zijn, hard. Jij koos, en de wereld antwoordde. 

 

Hij zou de foto aan Meindert laten zien, maar misschien ook aan Frits, die straks langs zou komen. Frits, die problemen had en zorgen en daarover met hem wilde praten (net als andere jongens – ook meisjes soms – die zijn raad zochten, zijn hulp – nu al, terwijl hij nog maar zeventien was). Drie uur, had hij gezegd tegen Frits, drie uur precies, dan heb ik tijd voor je. (Ja, druk had hij het, maakte dat duidelijk, veel andere dingen te doen. Heel bijzonder dat hij zomaar tijd had, heel speciaal dat Frits langs kon komen.) 

Dankbaar was Frits geweest, bescheiden kuchend. Frits met zijn veel te grote neus, en daaronder zijn kin, of eigenlijk geen kin; een kin terugwijkend naar zijn hals en daaronder opbollend zacht vlees als hij naar beneden keek – geen kaak, helemaal geen kaak. Hoe kon je zo bestaan, hoe kon je zo leven. Als hij zo’n kaak had, of liever zo’n gebrek aan kaak, zo’n gemis (iets treurigs en hinderlijks was dat, iets wat je weerhield te zijn wie je hoorde te zijn en te worden wie je voor je zag), als híj zo’n kaak had, zou hij daar steeds over nadenken en zijn kaak oefenen, zijn kaak naar voren steken, hoe moeilijk dat ook was. Of ’s nachts in bed als niemand het kon zien, een verband om zijn kaak teneinde hem te dwingen naar voren te staan. Met zo’n kaak die terugweek, die niet naar voren stak, was je een ander dan je hoorde te zijn. Want ook anderen zagen die kaak, of liever, ze zagen dat gemis, dat gebrek, en alles wat je zei, wat je deed was daarmee verbonden (jawel, mooie woorden spreekt hij, krachtige, mannelijke gedragingen – zeker, zeker. Maar ja, die káák…) En Frits wist het niet, hij leefde gewoon verder, hij dacht er niet aan. Terwijl hoe je eruitzag, je houding, je gezicht en ook je kaak, toch alles bepaalde, alles wat je deed en zei een andere vorm en waarde gaf, maar vooral een andere uitstraling – die verborgen kracht die naar anderen uitging en die hen vormde en veranderde; een kracht die je in jezelf moest wekken door houding, uiterlijk en gedrag. En ook door je stem; een stem rustig en beheerst met kalme superioriteit. Het strenge regime dat je jezelf moest opleggen om zo te zijn. Anders had je geen toekomst. 

‘Je hebt een beetje een terugwijkende kin,’ had hij een keer tegen Frits gezegd, ernstig en meelevend naar hem kijkend. ‘Zou je daar niet iets aan doen? Als je hem meer naar voren steekt, dan zou je gezicht heel anders zijn, mannelijker, krachtiger. Dat is belangrijk joh.’ En rondogig had Frits teruggekeken, verbaasd, bevreemd, hij wist van niets. Kin? Kin? Kaak? En, nee dat kon hij niet – giechelen bij die woorden, raar lachen. 

Maar niet alleen die kaak was er, die kin en dat giechelen en raar lachen, ook die rare kleren en zijn wat dikkige gestalte; een gestalte vrijwel zonder nek, zijn heupen bijna net zo breed als zijn schouders, en rare bruine truitjes, soms ook een bruine broek en schoenen. ‘Je lijkt wel een grote drol,’ had hij een keer gezegd. Niet pestend of jouwend, maar streng en ernstig. Een kille constatering. 

Ach ja Frits; hij moest hem helpen en het hem uitleggen. Een warm gevoel van mededogen en begrip welde in hem op als hij aan Frits dacht, iets zachts en beschermends zoals je ook bij dieren had die argeloos en onschuldig alles van je verwachtten. Hij zou streng zijn, maar ook begripvol. En hij zou het ook aan de andere jongens, zijn vrienden, vertellen – Frits begrijpt het nog niet helemaal. Je moet geduld met Frits hebben –; zijn vrienden, jongens die hem bewonderden, die altijd bij hem wilden zijn – Egbert, Chris, Rudie, Meindert, Jan –, en die vol verwachting naar hem keken, luisterend naar zijn woorden – wat had hij nu weer gezegd, die Ewout, wat deed hij nu weer. Tjonge, die Ewout. En gedragen door hun instemming, hun verwachtingsvolle blik, deed hij, handelde hij, alsof ook hun kracht hem voortdreef, alsof zij zich aan hem toegevoegd hadden, zij het lichaam waren dat zich door hem uitte, en ook hun kracht, hun aanwezigheid de zijne was geworden, één met hem; net of hij verdubbeld was – nee, meer dan dat, verveelvoudigd, ontstegen aan zichzelf dankzij hen. Onkwetsbaar was hij. 

‘Jullie moeten Frits een beetje ontzien,’ zou hij zeggen, ‘hem een beetje helpen, hij begrijpt het nog niet.’ En ook Frits zou zich daarna bij hen voegen, kijkend naar hem, en lettend op de anderen; op hun houding, hun aandacht, en zich bij hen aansluitend zijn aanwezigheid vermeerderen. 

Frits. Ook al had hij een terugwijkende kaak, zijn gladgeschoren kin was blauwig van de nu al krachtige baardgroei. Hij wel – en hij lette daar zelfs niet op, hij dacht daar niet over na, niets in zijn gedrag bewees dat hij het besefte; het voordeel dat hij had, de voorsprong, de mannelijke allure die zo’n baardgroei gaf. Terwijl hijzelf, hij, Ewout, alleen de paar verspreide donzig blonde stoppeltjes op zijn wangen en vooral zijn kin elke dag zorgvuldig schoor – want scheren hielp, stimuleerde de haargroei. Maar helpen deed dat nog niet. Het oneerlijke voordeel van die jongen, iemand die zo onbenullig was. Hij wel een baard, hij wel. En misschien ook wel haar op zijn borst; zo’n vacht van haren die bewees wie je was, die je kracht toonde. En hijzelf: geen haar was op zijn borst te bekennen. Glad en strak was de huid van zijn borst als de huid van een kind. Oneerlijk, eigenlijk ondraaglijk en beschamend was dat. Zeventien was hij al, bijna achttien, en kijk eens aan, nog niets, geen baard, geen haren. Misschien zou hij anders moeten eten – of minder masturberen, misschien zou dat verschil maken, want de kracht die je dan verloor. 

 

In de diepte van de huiskamer in de grote ovale spiegel met donkerbruine lijst naast de deur die naar de gang voerde, keek hij naar zijn gezicht. Teleurstellend gewoontjes was zijn gezicht, zelfs hier bij het gedempte en indirecte licht dat door twee ramen naar binnen viel. Geen bijzondere trekken, geen beschaduwde holten onder zijn jukbeenderen. En zijn kaak… Alleen maar de onderkant van zijn gezicht was die kaak – meer niet –, glad en vormloos aansluitend, een overgang was niet te zien naar zijn wangen, zijn mond en zijn lippen. Niets was zichtbaar van de krachten die hij in zich had en waarvan hij wist. Misschien moest hij zijn mondhoeken naar beneden trekken en zo zijn wangen strakker en vlakker maken. Maar het was onnatuurlijk en vreemd wat hij nu zag; niet de ontspannen argeloosheid van een gezicht dat duidelijk maakte wie hij was. Nee, het was al een daad als hij zo’n gezicht trok, een keuze – fout was die mond, fout het gezicht dat hij dan kreeg; net of hij een beetje nijdig, een beetje wrokkig en misprijzend was; hij zag het zelf. Maar niet op de goede manier nijdig en wrokkig. En wrok was nooit goed, en nijdig zijn ook niet; dat was machteloosheid. Het betekende dat je al verloren had en niet meer goed durfde. Het was geen moed, geen echte boosheid, die dan zichtbaar was; het was de machteloze, bijna heimelijke woede van de zwakke, de verliezer die niet echt boos durfde te zijn. Zo’n gezicht was fout, die mondhoeken, dat nijdige en wrokkige en ook afwijzende dat het uitdrukte. Nee, zo moest het niet. Net zoals dat fronsen, dat hij ook nu weer in de spiegel zag – ongemerkt fronsen, samentrekken van zijn wenkbrauwen, vernauwen van zijn ogen, hij wist van niets. Ook dat was verkeerd, het leek dan of hij nadacht, zich ergens op concentreerde, afgesloten, afgewend van de wereld die hem omgaf, alsof hij zich terugtrok in zichzelf, maar niet op de goede manier; niet argeloos en ontspannen omdat hij zeker was van zichzelf en van de dingen. Nee, ontwijken, afsluiten leek het, alsof je op je hoede was in plaats van ontspannen en vrij. En de anderen zagen dat, zagen dat fronsen en ontwijken. Herkenbaar zou hij dan voor hen zijn; meetbaar. Nee, ook niet meer fronsen, daar moest hij voortaan op letten. Argeloos en ontspannen moest zijn gezicht zijn, maar toch hard en vastbesloten – niet om te reageren op wat zich voordeed, mee te doen concurrerend met anderen, zijn best doend om zich te bewijzen, zich aan hen te tonen. Nee, verbazen moest je ze, verrassen; vrij blijven, onschokbaar zijn, nooit reageren op wat anderen zeiden of deden, want dat was de val; dan was je vormbaar naar wat anderen van je wilden en wegdwalend van wie je hoorde te zijn. Of wel reageren, maar anders dan ze verwachtten, ze verbazen en verrassen, steeds in verwarring houden. Vrij was je dan, beschikbaar voor wie je wilde zijn. 

Hij keek naar zijn ogen, roerloos terugkijkend naar hem in de spiegel. Als camera’s moesten zijn ogen zijn, koel en onbewogen en iets opengesperd om elk turen en scherp kijken te vermijden – want ook dat was inzet, ook dat was herkenbaar zijn. Nee, roerloos onbewogen starend als camera’s. Hij zag het in de spiegel. Altijd zou hij veilig zijn als hij dat maar vasthield, dat nooit vergat: deze blik, deze koele hardheid, die hij nu kon tonen – wat anderen ook zeiden of deden, geen reactie zou er zijn. En dan zomaar plotseling, omdat hij, hijzelf, dat wilde een kleine glimlach, of nee minder, een glanzen, een fonkelen in zijn ogen. Hij zag het ook nu in de spiegel, alleen zijn ogen en iets daaronder een samentrekken en opduwen – ook dat kon hij nu, niets was voor hem onmogelijk. En als anderen dat zagen, dat opglanzen in zijn ogen (hij wist het, ook gisteren was dat zo geweest, gisteren in de jazzkelder. Iets zette uit in zijn borst, zijn longen als hij eraan dacht – gisteren pas toen hij opnieuw toonde wie hij kon zijn, en alles meeboog met zijn wil ((alleen die vermoeidheid plotseling, opnieuw die uitputting, zomaar – de machteloosheid dan)).) En als anderen dat zagen – zijn glimlach – glimlachten ze ook, opgelucht omdat hij geglimlacht had. Maar niet hij reageerde, zij reageerden op hem, en meteen glimlachte hij niet meer, staarde hij roerloos en onbewogen. Die macht bezat hij nu, niet glimlachen als ze dat verwachtten en dan plotseling opnieuw zijn glimlach, maar ingehouden, de weerschijn eerder van een glimlach. Want meeglimlachen met anderen dan liep je in de val; zij glimlachten en jij glimlachte ook; en ze werden vriendelijk en amicaal, en ze lachten en ze hadden praatjes en verhalen – ze rekenden op je reacties en je antwoorden. Ze kwamen te dichtbij; ze kwamen in de ruimte die de jouwe was, alsof ze aan je trokken en in je duwden met hun verhalen, hun lachen, hun zekerheid, alsof ze je wegvoerden van jezelf. Onvrij was je dan, alsof je een pop was die anderen bespeelden. En als je dan toch zweeg en staarde, niet langer reageerde… Te laat was het dan, te laat; saai was je en onbenullig, een jongen die niet meedeed, in plaats van raadselachtig en vreemd. Nee, vrij zijn, vrij blijven, nooit reageren. Of wel reageren, maar anders dan ze verwachtten, reageren met ongrijpbare, niet te plaatsen reacties die geen antwoord waren, niet aansloten bij hen, maar die iets anders brachten, iets nieuws wat ze verraste en verbaasde. De ruimte om hem heen die dan ontstond door hun bevreemding, hun ongemak. Afgeremd, stilgezet in wie ze waren, werden ze dan; afgeremd en stilgezet door hem, Ewout. En in de ruimte die dan rondom hem opengegaan was, sprak hij opnieuw, handelde hij en bewoog. Niets was voor hem onmogelijk, als hij maar oplette, waakzaam was, strak en onbewogen bleef. De verantwoordelijkheid die dat steeds weer gaf, de eis bij alles die het meebracht – elke dag opnieuw zou dat moeten – en steeds nieuwe eisen, steeds nieuwe opdrachten zouden er zijn. Er zou geen einde aan komen. De dodelijke vermoeidheid die hij soms voelde. Maar ontsnappen was niet mogelijk, want hoe dán verder leven? Grauw en onopvallend wegduiken tussen de anderen? Vlak en onzichtbaar zijn, en zo leven zonder eisen, zonder verantwoordelijkheid, gezichtsloos voortspoelend door de tijd? Nee, dan had je al verloren, dan was de dood er al. Nee, ontkomen was niet mogelijk.

 

Maar zoals gisteren, gisteren nog maar, in de jazzkelder, hoe hij zich daar getoond had, en had laten zien hoe hij kon zijn. Als hij daaraan terugdacht; het schokje van vreugde dat door hem heen ging, bijna of hij zijn adem inhield, of nee, alsof zijn adem stokte, en daarna het brede uitademen haast of alles stilstond om hem heen, in rust neerlag. Zo’n gedrag, zo’n houding had hij nu al. Dat zou toenemen en groeien tot hij zou worden degene die hij hoorde te zijn. Maar ook nu: de greep op alles die hij reeds bezat, de kracht. Hij zou worden! Hij zou zijn!

 

Hij ging in de stoel bij het raam zitten en legde zijn voeten op de lage vensterbank – een vensterbank even hoog als de zitting van zijn stoel – en keek naar buiten naar de gracht achter zijn huis, de kaden langs het water, de hoge muren van de werfkelders daarachter, en daarboven de straat en de huizen. Hij stak een sigaret op achteroverleunend in zijn stoel – de achteloze breedte van zijn gebaren; de sigaret naar de asbak, hem aftikkend ook al was dat nog niet nodig en dan terug naar zijn mond, krachtig inhalerend en daarna het langzame uitblazen in rust en kalmte. Zo moest je roken, met die brede gebaren; de ruimte die je dan beheerste, de kalme zekerheid, de rust die dan zichtbaar was. 

Als zijn moeder nu binnenkwam en hem zo zag zitten in die stoel met naast hem het kleine tafeltje met de asbak, zijn pakje sigaretten, lucifers en ook een glas koude nog wat bruisende cola – maar vooral die benen, die schoenen op de vensterbank – zou ze boos zijn en geërgerd, en een beetje tegen hem schreeuwen; of minder dan schreeuwen, bijtend zou haar stem zijn, hard en vlak van ingehouden maar machteloze woede: ‘Daar zit hij weer op zijn luie gat’ (alleen dat woord al) ‘te roken en te drinken, te lamlendig om iets uit te voeren. Ja, roken, drinken, met zijn benen op de vensterbank.’ En met snijdende stem: ‘Doe je benen eraf!’ En hij zou dat doen, hoofdschuddend en glimlachend. Want wat betekenden dat soort ouderen, dat soort volwassenen die grauw en stijfjes in zichzelf zaten zonder beweging of verlangen. Verloren waren ze, zinloos was hun bestaan, vormvast en onveranderbaar waren ze geworden en geen hoop was er overgebleven. Spot voelde hij, hoon en kille afkeer – die machteloze praatjes. 

En terwijl ze naar hem keek en weer langs hem keek: ‘Dat ligt daar maar tot twaalf uur in zijn luie nest’ (‘nest’, dat gore woord alleen al, de ranzige viesheid die eruit opklonk, alsof er iets smerigs uit lekte en sijpelde), ‘terwijl iedereen hard werkt en zijn best doet. Geen wonder dat ze je van het internaat verwijderd hebben, dat de directeur je eruit gegooid heeft. Als je vader dat nog meegemaakt had…’ Ja ja, zijn vader, altijd weer zijn vader, hij wel, die stommerd die zich dood had laten schieten in de oorlog. Zó zou hij nooit willen worden. ‘Je vader zou je wel klein gekregen hebben.’ 

‘Of ik hem.’ Hij had het niet kunnen laten dat te zeggen. Roerloos naar haar starend, roerloos, maar met grote zekerheid. 

‘Moet je dat gezicht zien, moet je die ogen zien,’ had zijn moeder gezegd, een beetje geschrokken, maar ook haast met treurige voldoening, terwijl ze naar hem keek; bijna of ze hem opnieuw zag, hem nu pas echt, pas goed zag – nu voor het eerst, nu pas echt. Het werkte dus met zijn ogen, dat bleek nu weer, hij was op de goede weg, de koele, de onbewogen hardheid was zichtbaar ook voor haar.

‘Moet je die ogen zien. Het is de duivel die daaruit spreekt, jongen. Keer terug van deze verkeerde weg.’ En ze was de kamer uitgegaan zonder nog een woord te zeggen. Dat had je ervan met al die Bijbels, die kerkboeken en bundels met psalmen, gezangen, beneden in de winkel, de boekhandel die ze samen met een compagnon dreef; boeken met preken en verklaringen. Theologen kwamen langs en dominees, en zijn moeder sprak bescheiden tegen hen, eerbiedig bijna.

‘Heeft u het niet druk?’ had hij een keer tegen zijn moeder gezegd toen ze daar stond, verwijtend en ook een beetje bezorgd. ‘Moet u niet nodig naar beneden, Bijbels verkopen en een preekje lezen of zo’ (steeds een stapje verder moest je gaan, de grenzen van wat mogelijk was, van wat hij kon zeggen en doen, opschuiven, elke keer wat verder, wat meer). Hij lachte een klein beheerst lachje, schamper maar ingehouden, terwijl hij naar haar keek. Wat zou ze nu zeggen, wat zou ze nu doen. Ze stond daar halverwege de kamer, haar armen slap langs haar lichaam, alsof ze machteloos was, onmachtig zich te verweren en het gelaten over zich liet komen, en keek naar hem. 

Nu nog een stapje verder; afdoende, zegevierende woorden.

‘Een psalmpje?’ zei hij. ‘Een gezangetje? En dan wat lezen in die kleuterverhalen?’ Hij wachtte even terwijl hij keek. ‘Kleuterverhalen,’ zei hij opnieuw. ‘Sprookjes. Roodkapje en de boze wolf. En dan maar zingen over Roodkapje en preken over Roodkapje, en waarschuwen voor de boze wolf. Oei oei.’ Hij zwaaide met zijn arm, zijn hand en de sigaret daarin; brede bewegingen, brede wegwuivende gebaren. ‘Of nee, Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Nog mooier: bidden voor Sneeuwwitje, Sneeuwwitje aanroepen, net zo wit worden als Sneeuwwitje. Tjonge,’ zei hij (echt vloeken durfde hij niet; vloeken, die krachtige woorden hard als stenen die je achteloos om je heen liet vallen, ze uitsprekend in overmacht). Wat zou zijn moeder nu doen. Ze stond daar nog aarzelend, twijfelend, alsof ze niet meer wist wat te beginnen. ‘Sprookjes,’ zei hij. ‘Roodkapje, Sneeuwwitje. Om overal vanaf te zijn geloven ze dat, om niet verantwoordelijk te zijn voor wie ze zijn geworden. Niks,’ zei hij hard, ‘niks zijn ze geworden.’ 

Schuin achter hem was de klik van de huiskamerdeur, en in de gang, het halletje, hoorde hij een kort snikgeluid. Maar alleen moedwil voelde hij, onschokbare, ontoegeeflijke hardheid. Onveranderd bleef zijn houding, de vaste groef waarin hij gevallen was. 

Een keer was hij te ver gegaan. ‘Ach mens, ga toch naar beneden,’ had hij geroepen, en daarna krachtig: ‘Ga weg, donder op, ik wil nadenken.’ Maar dat was een stap te ver geweest, te onbeschoft, ‘vlerkerig’ had zijn moeder gezegd, ‘deze week geen zakgeld’. De vijf gulden, het schamele loon voor zijn aanwezigheid als zoon; geld dat hij nodig had, waarop hij rekende, bijvoorbeeld om sigaretten te kopen (de extra allure en kracht, de uitstraling van overwicht die een sigaret gaf) en in een café zitten samen met zijn vrienden – de jongens die altijd bij hem wilden zijn – en cola drinken, krachtig sigaretten rokend. Maar geen geld, dan geen cola, geen sigaretten. (En die andere keer, vreselijk was dat geweest, afschuwelijk, die keer dat ze onverwacht binnenkwam in zijn kamertje, terwijl hij daar zat met die spullen, die kleren. ‘O jongen!’ had ze geroepen. ‘O jongen!’ Alsof ze haar hand voor haar mond sloeg. Meteen was hij naar haar toe gesprongen en duwde haar zijn kamertje uit, de deur sluitend en op slot. ‘Jongen!’ riep ze. ‘Jongen!’ Ze bonkte op de deur en riep opnieuw. Als van steen was hij, als bevroren. Hij reageerde niet. En daarna het zachte, haast dreinende geluid van zijn moeder, die daar stond aan de andere kant van de deur en niet wegging. Huilend stond ze daar, machteloos en gelaten. En pas veel later hoorde hij haar zachte, haast sloffende voetstappen zich verwijderen. Nooit had ze iets gezegd, geen woord was erover gesproken. Onbestaand, vervluchtigd als een droom was het gebeuren geweest.)

 

Niet alleen Bijbels in die winkel, en dominees en theologen, ook gewone boeken; het merendeel gewone boeken: kunst, filosofie, literatuur – Dostojevski bijvoorbeeld, of Tolstoj en ook Sartre en Camus, die grote schrijvers en filosofen –, en ook moderne jonge schrijvers die ertoe deden; schrijvers zoals Mulisch of Remco Campert, en ook Hermans met dat boek over die man met judotenen, die al of niet in het verzet zat en die zijn snor moest laten groeien om niet herkenbaar te zijn (kon hij niet), of zijn baard (kon hij ook niet). Daar had je het weer: een snor, een baard waren belangrijk. Onbegrijpelijk dat zo’n Frits die al had. Frits nota bene, de onbenullige Frits met zijn keurige haar; van dat ouderwetse haar met een scheiding en zelfs achterovergekamd, ook dat nog (keurig haar had zijn moeder prijzend opgemerkt). Frits had het nog niet begrepen.

 

Paperback met flappen, 376 blz.
€ 22,50
ISBN 9789492313638
Verschenen februari 2019

Wessel te  Gussinklo