In een hoog in de bergen gelegen Zwitsers meisjespensionaat, waar de dagen op exact dezelfde manier verstrijken, doet op een dag een nieuw meisje haar intree: ze is mooi, streng, perfect, ze lijkt alles al te hebben meegemaakt. Tussen deze Frédérique en de hoofdpersoon, die het verhaal van hun ‘amitié amoureuse’ jaren later met een mengeling van nostalgie en huiver te boek stelt, ontspint zich binnen de strenge muren van het internaat een verwarrende verbondenheid. 

Deze ongrijpbare verhouding wordt in de buitenwereld nog problematischer wanneer zij elk op hun eigen manier ondervinden dat de tucht weliswaar uit hun leven is verdwenen, maar dat daardoor de eerder zo verafschuwde orde ook ontbreekt. De gelukzalige jaren van tucht is een intens verhaal over idylle en gevangenschap.

De Zwitsers-ltaliaanse schrijfster Fleur Jaeggy werd in Zürich geboren. In 2019 verschenen van haar in vertaling de verhalenbundel Ik ben de broer van XX en de roman SS Proleterka, die op de shortlist van de Europese Literatuurprijs staat. De gelukzalige jaren van tucht is haar bekendste roman die verscheen in 1989 en bekroond werd met de Premio Bagutta.

‘Dit is een magistraal boek. Alles gebeurt op het juiste moment, de kleine dingen en de cruciale, de beslissende wendingen, het leven dat wordt geleefd en het leven dat vanachter het raam wordt gadegeslagen.’ La Repubblica

‘Dit verhaal heeft mij zeer ontroerd, het heeft mij getroffen, het is prachtig.’ Natalia Ginzburg

‘Gedoopt in de blauwe inkt van de adolescentie is Fleur Jaeggy’s pen de naald van een graveur die de wortels, twijgen en takken van de boom der waanzin afbeeldt: fenomenaal proza. De leestijd is ongeveer vier uur. De herinneringstijd, net als voor zijn auteur: de rest van je leven.’ Joseph Brodsky

‘Een fantastische, briljante, barbaarse schrijfster.’ Susan Sontag

 

Over SS Proleterka:

‘De wanhoop die verborgen blijft of zich toont, in één flits, die maakt Jaeggy’s werk zo aangrijpend. Probeer haar te vergeten en lang nadat je haar gelezen hebt, beklemt ze je nog altijd.’ De Standaard *****

‘Je hebt alle officiële talen van Zwitserland nodig om uit te drukken hoe radicaal dit schrijverschap is. Jaeggy lezen, dat zul je niet licht vergeten.’ Trouw

Op mijn veertiende zat ik op een kostschool in Appenzell. Een omgeving waar Robert Walser vaak had gewandeld toen hij in het gesticht verbleef, in Herisau, niet ver van ons internaat. Hij stierf in de sneeuw. Op foto’s zie je zijn voetsporen en zijn lichaam languit in de sneeuw. Wij kenden die schrijver niet. Zelfs onze lerares Duits kende hem niet. Soms denk ik dat het mooi moet zijn om zo te sterven, na een wandeling, om je in een natuurlijk graf te laten vallen in de sneeuw van Appenzell, na bijna dertig jaar gesticht in Herisau. Het is echt zonde dat wij niet van het bestaan van Walser afwisten, we zouden een bloem voor hem hebben geplukt. Tenslotte was ook Kant ontroerd toen een onbekende vrouw hem, voor hij stierf, een roos aanbood. In Appenzell ontkom je niet aan wandelen. Als je de kleine witomlijste ramen bekijkt en de nijvere, stralende bloemen op de vensterbanken, ontwaar je een tropische stilstand, een getemd woekeren, en krijg je het gevoel dat er zich binnenshuis koel-sombere en enigszins ziekelijke dingen afspelen. Een Arcadië van ziekelijkheid. Het is alsof daarbinnen, in die netheid, de vrede en idylle des doods heersen. Een gejuich van kalk en bloemen. Aan de andere kant van de vensters wordt door het landschap – geen luchtspiegeling maar een Zwang, zeiden ze op kostschool – een heilig moeten opgeroepen.

Ik deed Frans en Duits en algemene ontwikkeling. Ik deed helemaal niets. Van de Franse literatuur herinner ik me alleen Baudelaire. Elke ochtend stond ik om vijf uur op om te gaan wandelen, ik klom de helling op en zag aan de andere kant, in de diepte, een schijfje water. Dat was het Bodenmeer. Ik keek naar de einder en naar het meer, wist toen nog niet dat er op een eiland in dat meer ook een kostschool voor mij zou zijn. Onder het lopen at ik een appel. Ik zocht de eenzaamheid en misschien het absolute. Maar ik was jaloers op de wereld.

Het gebeurde op een dag onder het middageten. We zaten allemaal aan tafel. Er kwam een meisje binnen, een novice. Ze was vijftien, had glanzend haar, steil als een lemmet, een duistere, strakke, ernstige blik. Een arendsneus, haar tanden, als ze lachte, en ze lachte niet vaak, waren spits. Een mooi hoog voorhoofd, waarop je de gedachten bijna kon aanraken, waarop voorbije generaties talent, intelligentie en charme hadden overgedragen. Ze sprak met niemand. Haar gelaatstrekken waren die van een standbeeld, hooghartig. Misschien wilde ik haar daarom veroveren. Ze had niets menselijks. Ze leek ook afkerig van alles. Het eerste wat ik dacht: die is daar verder in gegaan dan ik. Toen we opstonden liep ik naar haar toe en zei: ‘Bonjour.’ Haar ‘Bonjour’ kwam vlug. Ik stelde me voor, achter- en voornaam, als een rekruut, en nadat ik haar naam had vernomen, was het gesprek kennelijk afgelopen. Ze liet me in de eetzaal achter, te midden van de andere meisjes die daar stonden te babbelen. Een Spaanse vertelde me iets op levendige toon, ik schonk geen aandacht aan haar. Ik hoorde een geroezemoes van verschillende talen. De nieuwe liet zich de hele dag niet zien, maar die avond stond ze op tijd achter haar stoel. Onbeweeglijk, haast wezenloos. Op een teken van de directrice gaan we allemaal zitten en na enkele ogenblikken stilte begint het geroezemoes weer. De volgende dag groet zij mij als eerste.

Tijdens haar jaren op kostschool ontwikkelt elk meisje dat een beetje ijdel is een eigen beeld van zichzelf, een soort dubbelleven, ze verzint een manier van praten, lopen en kijken. Toen ik haar handschrift zag was ik met stomheid geslagen. We hadden bijna allemaal hetzelfde handschrift, onduidelijk en kinderlijk, met grote, ronde o’s. Het hare was helemaal uitgedacht. (Twintig jaar later zag ik iets wat erop leek in een opdracht van Pierre Jean Jouve in een exemplaar van Kyrie.) Uiteraard deed ik alsof ik niet verrast was, ik keek er amper naar. Maar stiekem oefende ik. En vandaag de dag schrijf ik nog steeds net als Frédérique, en hoor ik dat ik een mooi, interessant handschrift heb. Niemand weet hoe hard ik erop heb gestudeerd. In die periode voerde ik niets uit, en ik heb nooit iets uitgevoerd, omdat ik er geen zin in had, ik knipte reproducties uit van Duitse expressionisten en krantenberichten over misdrijven. Die plakte ik in een schrift. Ik liet tegenover haar doorschemeren dat ik geïnteresseerd was in kunst. En daarop verleende Frédérique mij het voorrecht om haar in de gangen en op haar wandelingen te vergezellen. Op school was ze – het lijkt een overbodige opmerking – de beste. Ze wist alles al, ik denk van de generaties vóór haar. Ze had iets wat de anderen niet hadden, ik kon haar talent niet anders verklaren dan als een gave van de overledenen. Je hoefde haar in de klas maar de Franse dichters te horen voorlezen: ze waren in haar afgedaald, zij bood hun onderdak. Wij waren misschien nog onschuldig. En misschien heeft de onschuld iets onbehouwens, pedants en gekunstelds, alsof we allemaal in de pofbroeken van de Zwitserse garde liepen.

We kwamen uit alle landen van de wereld, vooral uit Amerika en Nederland. Eén meisje was een negerinnetje, zoals dat toen heette, met kroeshaar, een pop die we in Appenzell bewonderden. Op een dag was haar vader haar komen brengen. Hij was president van een Afrikaanse staat. Uit elk land was een meisje gekozen en met z’n allen vormden ze een waaier bij de ingang van het Bausler Instituut. Er stond een Belgische met rood haar, een blonde Zweedse, de Italiaanse, het meisje uit Boston, en allemaal klapten ze voor de president, ze stonden opgesteld met hun nationale vlag in de hand en samen vormden ze inderdaad de wereld. Ik in de derde rij, de achterste, vlak bij Frédérique. Met de capuchon van mijn houtje-touwtjejas op. Vooraan – als de president een boog had gehad, zou zijn pijl haar in het hart hebben geraakt – de directrice van de kostschool, mevrouw Hofstetter, lang, fors en vol waardigheid, haar glimlach verzonken in het vet. Naast haar haar man, meneer Hofstetter, mager, klein en schuchter. Ze hesen de Zwitserse vlag. Het zwarte meisje werd de hoogste in hiërarchie. Het was koud, ze droeg een klokkend hemelsblauw jasje met een kraag van donkerblauw fluweel. Ik moet bekennen dat de zwarte president diepe indruk maakte op het Bausler Instituut. Het Afrikaanse staatshoofd had vertrouwen in de familie Hofstetter. Een paar Zwitserse meisjes keurden het vertoon af waarmee de president werd ontvangen. Ze zeiden dat alle vaders gelijk dienden te zijn. Een paar opstandige leerlingen heb je altijd op zo’n kostschool. Het zijn de eerste voorboden van hun politieke ideeën of van wat je een vage notie van het geheel zou kunnen noemen. Frédérique had een Zwitserse vlag in haar hand, net of ze een paal vasthield. Het jongste meisje maakte een reverence en bood een veldboeket aan. Ik weet niet meer of het zwarte meisje bevriend is geraakt met een andere leerlinge. We zagen haar vaak aan de hand van de directrice, mevrouw Hofstetter, die hoogstpersoonlijk met haar een ommetje ging maken, misschien was ze bang dat we het meisje anders opaten. Of dat ze niet onbedorven zou blijven. Ze tenniste nooit.

Frédérique werd met de dag afstandelijker. Af en toe zocht ik haar op in haar kamer. Ik sliep in een ander huis, zij zat bij de groten. Vanwege een leeftijdsverschil van enkele maanden moest ik bij de kleintjes wonen. Ik deelde mijn kamer met een Duitse, ik ben haar naam vergeten zo oninteressant vond ik haar, ik kreeg van haar een boek over Duitse expressionisten. De kast van Frédérique was erg netjes, terwijl ik niet wist hoe ik mijn truien zo moest opvouwen dat er nergens een centimeter uitstak, voor netheid had ik een onvoldoende. Ik keek bij haar af hoe het moest. Doordat we in twee verschillende huizen sliepen, was het of we een generatie verschilden. Op een dag vond ik in mijn vakje een liefdesbriefje, het was van een meisje van tien dat vroeg of ze mijn beschermelinge mocht worden, ze wilde met me gaan. In een opwelling antwoordde ik nee, heel bot, ik heb er nu nog spijt van. Ik had er ook meteen al spijt van toen ik had geantwoord dat ik geen zusje wilde, dat ik er niet voor voelde om een kleintje te beschermen. Ik begon steeds onhebbelijker te worden omdat Frédérique me ontliep en ik haar moest veroveren, want verliezen zou te vernederend zijn geweest. Ik bekeek het meisje te laat, pas nadat ik haar had gekwetst. Ze was werkelijk snoezig, charmant, ik had een slavin verloren zonder er enig genoegen aan te beleven.

Na die dag praatte het meisje niet meer met me noch groette ze me. Het is duidelijk dat ik de kunst van de diplomatie nog niet meester was, ik dacht nog dat het nodig was ergens recht op af te stevenen om iets te bereiken, terwijl alleen omwegen, vaagheid en afstand ons dichter bij ons doel brengen, en het is het doel dat ons raakt. Al paste ik bij Frédérique wel een tactiek toe. Ik had enige ervaring met het leven op kostschool. Vanaf mijn achtste was ik intern geweest. En op de slaapzalen leer je je eigen kamergenoten kennen, voor de wastafel, in de vrije uren. Rondom mijn eerste bed op kostschool hing witte vitrage, erop lag een deken van wit piquékatoen. Ook het nachtkastje was wit. Naar de schijn een kamer, op een rij met twaalf andere. Een soort kuise promiscuïteit. Je hoorde de anderen ademhalen. Mijn kamergenote op het Bausler was een Duitse, braaf en vals, zoals domme meisjes kunnen zijn. Haar lichaam in het spierwitte ondergoed was bepaald niet lelijk. Ze had al borsten, maar als ik haar per ongeluk aanraakte voelde ik een zekere weerzin. Misschien stond ik daarom ’s ochtends voor dag en dauw op om te gaan lopen. Tegen elven, onder de les, werd ik door slaap overmand. Ik keek naar een raam en het raam weerkaatste mijn blik, waarop ik insluimerde.

frédérique en ik waren niet alleen ’s nachts in verschillende gebouwen maar overdag ook in verschillende klaslokalen. Aan tafel zaten we niet dicht bij elkaar, maar ik kon haar wel zien. En eindelijk keek ze me aan. Misschien was ik ook interessant. Ik werd geboeid door de Duitse expressionisten en het leven, door de misdrijven die ik nog niet meegemaakt had. Ik vertelde haar dat ik op mijn tiende een moeder-overste had beledigd door ‘koe’ tegen haar te zeggen. Wat een simpel woord; toen ik het haar vertelde schaamde ik me ervoor dat ik zo’n simpele ziel was. Ik werd van de kostschool verwijderd. ‘Vraag om vergiffenis,’ zeiden ze. Dat deed ik niet. Frédérique lachte. Ze was zo aardig me te vragen waarom ik dat had gedaan. En beetje bij beetje begon ik haar te vertellen hoe ik was op m’n achtste. Toen speelde ik voetbal met de jongens en stopten ze me in een akelige kostschool. Aan het einde van een akelige gang was de kapel. Links daarvan een deur. Binnen een moeder-overste, doorzichtig, teer, die zich over mij ontfermde. Ze streelde me met haar fijne en zachte handen, ik zat naast haar alsof ze een vriendin was. Op een dag was ze verdwenen. Haar plaats werd ingenomen door een mollige Zwitserse uit het kanton Uri. Zoals iedereen weet haat de nieuwe machthebber de vroegere gunstelingen. Een kostschool is net een harem.

Frédérique zei tegen me dat ik een esthete was. Voor mij een nieuw woord, dat echter direct betekenis kreeg. Haar handschrift was van een esthete, dat begreep ik. Haar algehele minachting was van een esthete. Frédérique verborg haar minachting achter gehoorzaamheid en discipline, ze was zeer eerbiedig. Ik kon nog niet zo goed veinzen. Ik was eerbiedig bij de directrice Frau Hofstetter omdat ik bang voor haar was. Ik stond klaar om een reverence voor haar te maken. Frédérique hoefde nooit een reverence te maken omdat de wijze waarop ze anderen respecteerde respect inboezemde. En dat nam ik waar. Eén keer, misschien om mijn aandacht eens op iemand anders te richten dan op Frédérique, ging ik in op een afspraak met een jongen van de Rosenberg, een kostschool vlakbij. Een korte ontmoeting. Ik werd gezien. Mevrouw Hofstetter ontbood me in haar kantoor. Ze was breed als een kleerkast, een blauw mantelpak, een witte bloes, een broche. Ze waarschuwde me. Ik zei dat hij gewoon familie was. En ja hoor: de moeder van dat familielid had haar in een brief met klem gevraagd mij te beletten hem te zien. Ik deed alsof ik huilde. Ze was ontroerd. Waar was al die kracht gebleven die ik op mijn achtste had, mijn zelfverzekerdheid, mijn zelfbeheersing? Op mijn achtste was er geen enkel meisje dat me intrigeerde. Ze waren allemaal hetzelfde, onuitstaanbaar, bekrompen. Zelfs nu kan ik nog niet zeggen dat ik verliefd was geworden op Frédérique, iets heel eenvoudigs om te zeggen.

Die dag was ik bang dat ze me van school zouden sturen. Op een ochtend, het ontbijt rook altijd heerlijk, doopte ik het brood in mijn koffiekom. De directrice beval me op te staan, nadat ze op de hand had getikt die het brood had ingedoopt. Op m’n achtste zou ik de kom hebben gepakt en in het gezicht van de directrice hebben gegooid. Hoe durfde ze me te beledigen? Frédérique at met haar ellebogen langs haar bovenlichaam. Nooit leunde ze met een elleboog op tafel. Minachtte ze ook het eten? Ze was zo ongelooflijk volmaakt. Als we samen gingen wandelen, inmiddels elke dag, met z’n tweeën, alleen, liep ze soms voor me uit, en ik keek naar haar. Alles aan haar klopte, was harmonisch. Soms legde ze haar hand op mijn schouder en dat had eeuwig zo moeten duren, in de bossen, in de bergen, op de paden, une amitié amoureuse, zeggen de Fransen.

Ze zinspeelde op een man. Ik had niets te melden over dat onderwerp, alleen een vader. En ik had een gouvernante gehad. Maar dat was niet hetzelfde. Een gouvernante, een non, een kostschoolvriendin maken deel uit van een eenheid. Frédérique zinspeelde op een man als op een voltooide parabel. Die avond, terug op mijn kamer met de Duitse, dacht ik na. Wij zijn misschien deskundig op het gebied van vrouwen, wij die onze beste jaren op kostscholen hebben doorgebracht. En wanneer we die verlaten, zullen we, aangezien de wereld uit twee delen, mannelijk en vrouwelijk, bestaat, ook het mannelijke leren kennen. Of dat ooit dezelfde intensiteit zal krijgen? Wie weet, dacht ik, of die net zo moeilijk te veroveren zullen zijn als Frédérique.

Ondanks de dagelijkse wandelingen met Frédérique, de ontboezemingen, de tederheid, voelde ik dat ik haar nog niet veroverd had. Mijn maatstaf was kracht. Ik moest en zou haar veroveren, ze moest en zou mij bewonderen. Frédérique gunde haar aanwezigheid aan niemand, en soms was ze liever alleen dan samen met mij. En ik, ik verveelde me. Ik las niet, bekeek mezelf in de spiegel, borstelde mijn haar, wel honderd keer met de borstel, deed alsof ik van de natuur hield. Frédérique, had ik gemerkt, bekeek zichzelf niet in de spiegel. Wat hield ik met haar van de bomen, de bergen, de stilte en de literatuur. Naar mijn gevoel begon het leven zich een beetje voort te slepen. Ik had al bijna zeven jaar kostschool achter de rug en het was nog niet voorbij. Als je daarbinnen zit stel je je grootse dingen voor van de wereld, maar als je er weggaat, zou je weer de klank van het klokje willen horen.

De gelukzalige jaren van tucht
Oorspronkelijke titel I beati anni del castigo 
Vertaling Annegret Böttner en Leontine Bijman
Paperback met flappen,
104 blz.
€ 18,50
ISBN 9789083174419 

Verschijnt 16 september 2021

 

Fleur Jaeggy

Fleur Jaeggy
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.