Het allereerste nooit eerder uitgegeven meesterwerk

Wessel te Gussinklo was nog maar net tweeëntwintig geworden toen hij in februari 1963 aan De expeditie begon. Drie maanden later was het boek af. Nu, bijna zestig jaar later, verschijnt het voor het eerst in druk. Ronald, de hoofdfiguur, legt zijn beeld van de volmaakte vrouw dwingend op aan Mirjam, zijn liefde, maar zij volgt tot zijn woede en frustratie geheel haar eigen belangen. Dit verlangen naar het complete samenvallen, de volmaakte symbiose met de ander en de falende dialoog met het bestaan zijn terugkerende thema’s in al zijn latere romans. Een verhaal als een vlam, met een absurdistische wending, feller van toon dan zijn latere werk, maar hier op zijn tweeëntwintigste als schrijver al op volle kracht aanwezig. 

De expeditie wordt in deze uitgave gevolgd door Het meesterwerk: het even ironische als pijnlijke autobiografische verslag vanaf het voltooien van De expeditie in 1963 tot aan de uiteindelijke publicatie van De verboden tuin in 1986. Een verhaal van hellevaart en opstanding over de aanvankelijk mislukte pogingen schrijvend voortgang te vinden, en over de eigen, vaak hilarische, stommiteiten bij het vergeefse zoeken naar een uitgever.

Wessel te Gussinklo debuteerde in 1986 met de roman De verboden tuin, die bekroond werd met de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman, De opdracht (1995), ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de eci-prijs en de F. Bordewijkprijs, en werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en De Gouden Uil. De roman Zeer helder licht (2014) stond op de toplijst van de ako Literatuurprijs. In 2016 ontving Te Gussinklo de C.C.S. Croneprijs voor zijn hele oeuvre en in 2017 verscheen De Weergekeerde Bloem. De roman De hoogstapelaar werd bekroond met de Zeeuwse Boekenprijs en de BookSpot Literatuurprijs 2019. Zijn meest recente roman, Op weg naar De Hartz, werd bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs 2021.

Over Op weg naar De Hartz:

‘Wat een ongekend genot biedt dit kunststuk. Wessel te Gussinklo lezen is een zoete kluisterende kwelling.’ Jeroen Vullings, EW Magazine *****

‘Pijnlijk en tragisch jazeker, maar toch ook weergaloos mooi en diep.’ Rob Schouten, Trouw

‘Niemand schrijft zoals Wessel te Gussinklo – tenzij je hem net gelezen hebt, want dan ben je zozeer in zijn personage ondergedompeld geweest dat je een beetje denkt als Ewout en formuleert als Te Gussinklo.’ Thomas de Veen, NRC Handelsblad **** 

‘Deze roman wordt een klassieker, zoals De donkere kamer van Damokles.’ Maaike Meijer, De Groene Amsterdammer

Bij nacht en ontij

Buitensporig zwaarbewapend dook hij op uit het oeverriet van de nacht; een takkenbos geweren over zijn schouder, een kanon op zijn rug, knuppels en revolvers tussen zijn broeksband, messen achter zijn oren (en kwartslampen, verhoorapparaten, hartslagmeters), een zak handgranaten achter zich aan slepend. Een radeloze kabouter tussen de reusachtige vegetatie van waaierende bladeren, grijpgrage takken, bomen die vlak voor zijn voeten razendsnel als vingers uit de grond kwamen met ogen die hem spottend volgden. 
En overal bleef hij haken en steken, terwijl bladeren hem kletsend om de oren sloegen en bomen stiekem achter hem aan slopen om een voet op de zak te zetten, of een tak om zijn nek te slaan…
Hij wist nooit waarom hij hier zo woedend en vastbesloten voortkrabbelde – snuivend, slippend, klevend aan de slijmerige bodem – en zo klein, zo ontzettend klein en verlaten… Maar het pad was hetzelfde, met dezelfde bochten, met de geleiachtige grond. 
En dan kwam een paal met een hand die naar rechts wees. Daarop stond: naar de toiletten. Dat was altijd zo. Hij sloeg hijgend rechts af en gromde: ‘Wacht maar, wacht maar.’ Hij was verbaasd en ongerust.
Plotseling stond hij voor een zonnige vlakte met een heuvel. Op de helling plukte zij bloempjes en ze lachte en zong en maakte kleine danspasjes… Dat zou nu afgelopen zijn. Hij riep: ‘Wacht maar.’ Ze lachte en zwaaide naar hem. 
Maar hij telde al tot drie, radeloos en tegelijk woedend. Wat er daarna moest gebeuren, wist hij niet. Ze lachte alleen maar en hij liet genade voor recht gelden: hij telde nog een keer tot drie en nog een keer: ‘Alsjeblieft, alsjeblieft…’ 
Ze keek zelfs niet.
Toen schoot hij. Dan moest ze het zelf maar weten. Maar de geweren klapten uit elkaar, de lopen werden kurkentrekkers, of boomtakken, of er kwam een straaltje water uit, of een grote schuimbel die tikkend stuk sprong… Hij greep in de zak en haalde er een handgranaat uit, maar het was een aardappel… Hij pakte een andere, maar opeens zat de zak vol zwarte spinnen. Handenwringend rende hij weg. En zij was er nog. Zij zong en lachte zonder op hem te letten. Het koninginnetje, het prinsesje! En daarom zou hij haar wel krijgen. Wacht maar! wacht maar!
Hij trok een revolver, maar terwijl hij hem richtte werd het een vulpen. Hij trok bliksemsnel andere. Het werden ballpoints, sigaren, zuurstokken, dropveters en verwijtende vingers in zijn handen. Eén keer een bosje rozen.
Maar hij had het kanon nog. Hij richtte zwetend het kanon. Hij hield er met een voorzichtig gestrekte hand een lucifer bij en zwengelde aan een stang. De kogel spoot er aan de achterkant uit, of de loop draaide zich als een slurf naar hem om… Eén keer kwam er een kogel uit. Ze schrok zelfs niet, terwijl hij met fluitende oren en open mond toekeek. De kogel maakte een keurig rondje om haar heen en kwam toen op hém af. Een kogel als een kaas. En steeds groter, steeds groter…
Ze fluisterde: ‘Je bent lief.’ 
Gillend en snikkend rende hij weg.

 

De expeditie
Roman
Paperback met flappen, 336 blz.
€ 23,50
ISBN 9789083174440 
Verschijnt januari 2022

Wessel te Gussinklo

Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.