De angst van de doelman voor de strafschop gaat over de monteur en voormalige doelman Josef Bloch. Josef keert niet meer terug naar zijn werk omdat hij – ten onrechte – denkt dat hij ontslagen is. Hij waart rond door de stad met het toenemende gevoel dat hij achtervolgd wordt en ervaart de werkelijkheid steeds sterker als een wirwar van tekens die allemaal naar zijn situatie verwijzen. De argwaan en zijn onvermogen om de tekens juist te interpreteren verontrusten hem en de onschuldigste details worden geladen met betekenissen en veranderen in toespelingen en duistere voortekens.

De angst van de doelman voor de strafschop is een moderne klassieker die bij zijn verschijning in 1970 ophef veroorzaakte met zijn innovatieve taalgebruik en het genadeloze portret van een getroebleerde man in een even getroebleerde maatschappij.

Vijf sterren (*****) voor De angst van de doelman voor de de strafschop van Peter Handke in Knack Focus, Roderik Six: ‘Deze opgefriste vertaling geldt als een perfecte introductie tot zijn oeuvre. Knap hoe Handke terloops naar Kafka, Sarte en het thrillergenre knipoogt en toont hoe hij de taal kan ontregelen zonder in oeverloos experiment weg te zinken. Dit boekje is een breekijzer voor het brein.’

Daan Pieters op Literair Nederland: ‘Dit soort onwezenlijke uitspraken en andere vervreemdingseffecten zijn schering en inslag. Het is alsof een cameraman de ik-figuur op afstand volgt zonder door te dringen tot zijn innerlijke gevoelens of gedachtenwereld. Er lijkt haast een glazen wand tussen Bloch en de werkelijkheid te staan die het hem onmogelijk maakt om werkelijk contact te leggen met zijn omgeving: ‘Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.’

Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

Arjen Fortuin in NRC Handelsblad: ttps://www.nrc.nl/nieuws/2014/08/09/de-boeken-van-1989-de-angst–de-doelman-voor-de-strafschop-van-peter-handke-a1467308d: 

Toen hij zich ’s morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekende doelman was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek, en hij verliet het bouwterrein. Op straat stak hij zijn hand op, maar de auto die voorbijreed was – ook al had Bloch zijn hand helemaal niet voor een taxi opgestoken – geen taxi. Ten slotte hoorde hij voor zich het geluid van remmen; Bloch draaide zich om: achter hem stond een taxi, de chauffeur schold; Bloch draaide zich opnieuw om, stapte in en liet zich naar de Naschmarkt rijden.

Het was een mooie oktoberdag. Bloch at aan een kraampje een warme worst en liep toen tussen de kramen door naar een bioscoop. Alles wat hij zag, stoorde hem; hij probeerde zo min mogelijk waar te nemen. Hij haalde opgelucht adem toen hij eenmaal in de bioscoop zat.

Achteraf verbaasde hij zich dat de juffrouw aan de kassa het gebaar waarmee hij het geld zonder iets te zeggen op de draaischijf had gelegd met een bijna vanzelfsprekend gebaar had beantwoord. Naast het doek ontdekte hij een elektrische klok met een verlichte wijzerplaat. Midden in de film hoorde hij een klok luiden; hij twijfelde er lang aan of die in de film luidde of buiten in de kerktoren naast de Naschmarkt.

Terug op straat kocht hij druiven, die in deze tijd van het jaar erg goedkoop waren. Hij liep verder, at ondertussen de druiven op en spuugde de velletjes weg. Het eerste hotel waar hij om een kamer vroeg, wees hem af, omdat hij alleen maar een aktetas bij zich had; de portier van het tweede hotel, dat in een zijstraatje lag, bracht hem zelf naar boven naar zijn kamer. Nog vóór de portier de kamer had verlaten, ging Bloch op het bed liggen en viel even later in slaap.

’s Avonds verliet hij het hotel en bedronk zich. Later werd hij weer nuchter en probeerde hij vrienden te bellen; omdat die vrienden vaak buiten de stad woonden en de telefoon de munten niet teruggaf, was Bloch algauw door zijn kleingeld heen. Een politieagent die hij groette, in de veronderstelling dat hij hem ertoe kon bewegen stil te blijven staan, groette niet terug. Bloch vroeg zich af of de agent de woorden die hij hem over de straat had toegeroepen misschien niet juist had opgevat en dacht aan de vanzelfsprekendheid waarmee de juffrouw aan de kassa in de bioscoop de schijf met het kaartje naar hem toe had gedraaid. Hij was over de snelheid van de beweging zo verbaasd geweest dat hij bijna had vergeten het kaartje van de schijf te pakken. Hij besloot haar op te zoeken.

Toen hij bij de bioscoop kwam, werd juist het licht in de vitrines gedoofd. Bloch zag een man die, staande op een ladder, de letters van de film verwisselde voor de letters van de film voor de volgende dag. Hij wachtte tot hij de titel van de andere film kon lezen en ging toen terug naar het hotel.

De volgende dag was een zaterdag. Bloch besloot nog een dag in het hotel te blijven. Op een Amerikaans echtpaar na was hij alleen in de ontbijtzaal; hij luisterde een tijdje naar het gesprek dat hij, omdat hij vroeger een paar keer met zijn elftal naar een toernooi in New York was geweest, redelijk goed kon volgen; daarna ging hij vlug naar buiten om een paar kranten te kopen. Omdat het weekendedities waren, wogen de kranten die dag erg zwaar; hij vouwde ze niet, maar droeg ze onder zijn arm naar het hotel terug. Hij ging weer aan de ontbijttafel zitten, die al was afgeruimd, en verwijderde de advertentiebijlagen; dat maakte hem neerslachtig. Buiten zag hij twee mensen met dikke kranten lopen. Hij hield zijn adem in tot ze voorbij waren. Toen pas merkte hij dat het de beide Amerikanen geweest waren; nu ze buiten waren had hij ze – hiervoor had hij ze alleen in de ontbijtzaal aan een tafel gezien – niet herkend.

In een koffiehuis dronk hij vervolgens lang van het leidingwater dat in een glas bij de koffie werd geserveerd. Nu en dan stond hij op en pakte een geïllustreerd tijdschrift van de stapels die op speciaal daarvoor bestemde stoelen en tafels lagen; de serveerster gebruikte toen ze de naast hem opgehoopte bladen een keer ophaalde, terwijl ze wegliep het woord ‘leestafel’. Bloch, die enerzijds het doorbladeren van de tijdschriften erg vervelend vond, maar anderzijds geen enkel exemplaar weg kon leggen voor hij het helemaal had doorgebladerd, probeerde zo nu en dan naar buiten te kijken naar wat er op straat gebeurde; de tegenstelling tussen het geïllustreerde blad en alles wat er buiten gebeurde, luchtte hem op. Bij het weggaan legde hij het blad zelf terug op de tafel.

De kramen van de Naschmarkt waren al gesloten. Achteloos schopte Bloch een tijdje weggeworpen groente en fruit dat hem voor de voeten kwam voor zich uit. Ergens tussen de kramen deed hij zijn behoefte. Daarbij zag hij dat de wanden van de houten barakken overal zwart waren van de urine.

De velletjes van de druiven die hij de vorige dag had weggespuugd, lagen nog steeds op het trottoir. Toen Bloch het bankbiljet op de draaischijf legde, raakte het biljet bij het draaien verkreukeld; dat was voor Bloch een aanleiding om iets te zeggen. De juffrouw aan de kassa antwoordde. Hij zei weer iets. Omdat dat ongewoon was, keek ze hem aan. Daardoor had hij een aanleiding om verder te spreken. Weer in de bioscoop herinnerde Bloch zich het driestuiverromannetje en de elektrische waterkoker naast de juffrouw; hij leunde achterover en begon op het doek details te onderscheiden.

Laat in de middag nam hij de tram naar het stadion. Hij kocht een staanplaats, maar ging toen op de kranten zitten, die hij nog steeds niet had weggegooid; dat de toeschouwers die voor hem stonden hem het uitzicht belemmerden deerde hem niet. In de loop van de wedstrijd gingen de meesten zitten. Bloch werd niet herkend. Hij liet de kranten liggen, zette er een bierflesje op en verliet nog voor het eindsignaal het stadion om niet in het gedrang terecht te komen. Het grote aantal wachtende, bijna lege bussen en trams voor het stadion – er werd een topwedstrijd gespeeld – bevreemdde hem. Hij ging in een tram zitten. Hij zat daar zo lang bijna alleen dat hij begon te wachten. Of de scheidsrechter er tijd bijtelde? Toen Bloch opkeek zag hij dat de zon onderging. Zonder dat hij daarmee iets tot uitdrukking wilde brengen, liet hij zijn hoofd zakken.

Buiten stak plotseling de wind op. Bijna tegelijk met het eindsignaal, dat uit drie langgerekte afzonderlijke fluitsignalen bestond, stapten de chauffeurs en de conducteurs in de bussen en de trams en kwamen de mensen uit het stadion rennen. Bloch verbeeldde zich dat hij het geluid hoorde waarmee de bierflesjes op het speelveld vielen: tegelijkertijd hoorde hij stof tegen de ruiten waaien. In de bioscoop had hij achterovergeleund, toen de toeschouwers de tram binnendrongen, leunde hij voorover. Gelukkig had hij een programmablad van de film bij zich. Het kwam hem voor alsof in het stadion juist het kunstlicht was ingeschakeld. Een onzinnige gedachte, zei Bloch. Bij kunstlicht had hij altijd slecht gekeept.

In de binnenstad zocht hij enige tijd naar een telefooncel, toen hij een lege cel vond lag daar de afgerukte hoorn op de grond. Hij liep verder. Ten slotte kon hij vanuit Station West bellen. Omdat het zaterdag was kon hij bijna niemand bereiken. Toen eindelijk een vrouw opnam die hij van vroeger kende, moest hij een tijdje praten voor ze wist wie hij was. Ze spraken af elkaar in een café in de buurt van Station West te ontmoeten, waarvan Bloch wist dat er een jukebox stond. Hij verdreef de tijd tot de vrouw kwam door munten in de jukebox te gooien en anderen voor hem te laten indrukken; ondertussen bekeek hij de foto’s en de autogrammen van de voetballers die aan de muur hingen; het café was een paar jaar geleden gehuurd door een voorhoedespeler van het nationale elftal, die daarna als trainer van een van de elftallen van de wilde Amerikaanse voetballiga naar de Verenigde Staten was gegaan en daar nu, nadat die liga was opgeheven, spoorloos was verdwenen. Bloch raakte in gesprek met een meisje dat vanaf de tafel naast de jukebox blindelings achter zich greep en steeds dezelfde plaat koos. Ze verliet samen met hem het café. Hij probeerde met haar het eerste het beste pand in te gaan, maar overal zaten de deuren al op slot. Toen een van de deuren openging bleek dat, te oordelen naar het zingen, achter een tweede deur op dat moment een godsdienstige plechtigheid plaatsvond. Ze stapten in een lift, die zich tussen de eerste en de tweede deur bevond; Bloch drukte op de knop voor de bovenste verdieping. Nog voor de lift omhoogging wilde het meisje weer uitstappen. Bloch drukte nu op de knop voor de eerste verdieping; ze stapten daar uit en bleven in het trappenhuis staan; nu werd het meisje teder. Ze liepen samen de trap op. Op de zolderverdieping stond de lift; ze stapten in, gingen naar beneden en liepen weer de straat op.

Bloch bleef een tijdje naast het meisje lopen, toen draaide hij zich om en zocht het café weer op. De vrouw, die haar jas nog aanhad, wachtte al. Bloch zei tegen de vriendin van het meisje, die nog aan de tafel naast de jukebox wachtte, dat het meisje niet terug zou komen en verliet met de vrouw het café.

Bloch zei: ‘Ik voel me belachelijk zo zonder jas, terwijl jij een jas draagt.’ De vrouw pakte zijn arm. Om die weer vrij te krijgen deed Bloch alsof hij haar iets wilde aanwijzen, maar toen wist hij niet wat hij haar moest wijzen. Opeens voelde hij de behoefte een avondkrant te kopen. Ze liepen door verschillende straten zonder een krantenverkoper te zien. Ten slotte gingen ze met de bus naar Station Zuid, maar het station was al gesloten. Bloch deed alsof hij was geschrokken, maar ook in werkelijkheid was hij geschrokken. Tegen de vrouw die hem in de bus – door haar tasje open te maken en daarin met verschillende voorwerpen te spelen – al had aangeduid dat ze zich onwel voelde, zei hij: ‘Ik ben vergeten een briefje achter te laten’, zonder te weten wat hij met de woorden ‘briefje’ en ‘achterlaten’ eigenlijk bedoelde. In ieder geval stapte hij alleen in een taxi en ging naar de Naschmarkt.

Omdat er in de bioscoop ’s zaterdags een nachtvoorstelling was, kwam Bloch zelfs nog te vroeg. Hij ging naar een zelfbedieningsrestaurant in de buurt en at staande een bal gehakt. Hij probeerde de serveerster in zo kort mogelijke tijd een mop te vertellen; toen de tijd voorbij was en hij nog steeds niet klaar was met vertellen, brak hij midden in de zin af en betaalde. De serveerster lachte.

Op straat kwam hij een kennis tegen, die wat geld van hem wilde lenen. Bloch schold hem uit. Toen de dronken man Bloch bij zijn overhemd vastgreep, werd de straat donker. De dronken man liet zijn hand geschrokken zakken. Bloch, die erop verdacht was geweest dat de neonreclame van de bioscoop zou uitgaan, verwijderde zich snel. Voor de bioscoop zag hij de juffrouw van de kassa; ze stapte juist bij een man in de auto.

Bloch keek naar haar. Terwijl ze al naast de man in de auto zat, beantwoordde ze zijn blik door haar jurk onder zich recht te trekken; Bloch vatte dat tenminste op als een antwoord. Er gebeurde verder niets; ze trok het portier dicht en de auto reed weg.

Bloch keerde terug naar het hotel. Het halletje van het hotel was verlicht, maar er was niemand; toen hij de sleutel van het haakje pakte, viel er een opgevouwen briefje uit het vak; hij vouwde het open; het was een rekening. Terwijl Bloch nog met het briefje in zijn hand in de hal stond en de ene koffer die naast de deur stond bekeek, kwam de portier uit de bergruimte. Bloch vroeg hem om een krant en keek daarbij door de open deur in de bergruimte, waar de portier blijkbaar op een stoel die hij uit het halletje had gehaald in slaap was gevallen. De portier sloot de deur, zodat Bloch alleen nog maar een kleine trapladder met daar bovenop een soepkom kon zien, en begon pas te spreken toen hij zich achter de portierstafel bevond. Maar Bloch had het sluiten van de deur al opgevat als een afwijzend antwoord en liep de trap op naar zijn kamer. Voor maar een van de deuren in de tamelijk lange gang zag hij een paar schoenen staan; in de kamer trok hij zonder de veters los te maken zijn eigen schoenen uit en zette ze ook voor de deur. Hij ging op het bed liggen en viel onmiddellijk in slaap.

Midden in de nacht werd hij even wakker van een woordenwisseling in de aangrenzende kamer; maar misschien was ook alleen maar zijn gehoor door het plotselinge ontwaken zo geprikkeld dat hij dacht dat de stemmen redetwistende stemmen waren. Hij sloeg een keer met zijn vuist tegen de muur. Daarop hoorde hij iemand een kraan openzetten. De kraan werd dichtgedraaid, het werd stil en hij viel weer in slaap.

De volgende dag werd Bloch door de kamertelefoon gewekt. Men vroeg of hij nog een nacht wilde blijven. Terwijl Bloch naar de aktetas op de grond keek – in de kamer was geen apart bankje voor koffers – zei hij meteen ja en legde de hoorn op de haak. Nadat hij de schoenen, die – zeker omdat het zondag was – niet waren gepoetst, van de gang had gehaald, verliet hij zonder te ontbijten het hotel.

In Station Zuid schoor hij zich bij de toiletten met een elektrisch scheerapparaat. Hij douchte in een van de douchecellen. Terwijl hij zich aankleedde, las hij in een krant de sportpagina en de rechtbankverslagen. Na een tijdje, nog terwijl hij las – in de andere douchecellen was het tamelijk rustig – voelde hij zich plotseling heel behaaglijk. Al helemaal aangekleed leunde hij tegen de wand van de cel en stootte met zijn schoen tegen de houten bank. Dat geluid provoceerde een vraag van de beheerster en vervolgens, toen hij niet antwoordde, gebons op de deur. Toen Bloch weer niet antwoordde, sloeg de vrouw aan de buitenkant met een handdoek (of wat het ook mocht zijn) op de deurklink en verwijderde ze zich. Staande las Bloch de krant uit.

Op het stationsplein ontmoette hij een kennis, die als scheidsrechter op weg was naar een wedstrijd in een van de lagere klassen. Die informatie vatte Bloch op als een grap en hij speelde mee door te zeggen dat hij dan wel meteen als grensrechter mee kon gaan. Zelfs toen de kennis zijn plunjezak openknoopte en hem zijn scheidsrechterskleren en een netje met citroenen liet zien, was Bloch van mening dat hij, net als voorheen bij de eerste zin van de ander, nu ook bij deze voorwerpen met een soort fopartikel te maken had en verklaarde zich, het spelletje verder meespelend, bereid, als hij toch meeging, dan ook meteen wel de plunjezak voor hem kon dragen. Zelfs toen hij met de ander in het boemeltreintje zat met diens plunjezak op zijn knieën, leek het hem alsof hij, te meer daar de coupé nu tegen de middag bijna leeg was, op dit alles nog steeds slechts voor de grap inging. Wat echter de lege coupé met zijn onserieuze gedrag te doen had was Bloch niet duidelijk. Dat de kennis met een plunjezak naar de voorstad ging en dat hij, Bloch, meeging, dat ze met elkaar in een restaurant in de voorstad lunchten en samen, zoals Bloch het uitdrukte, ‘naar een voetbalveld in levenden lijve’ gingen, leek hem ook toen hij alleen naar de stad terugreed – de wedstrijd was hem niet bevallen – van beide kanten een toneelstukje. Het is allemaal niet waar geweest, dacht Bloch. Op het stationsplein kwam hij gelukkig niemand tegen.

Vanuit een telefooncel aan de rand van een park belde hij zijn vroegere vrouw; ze zei dat alles in orde was, maar vroeg hem niets. Bloch was onrustig.

Hij ging op het terras van een café zitten, dat ondanks de tijd van het jaar nog open was, en bestelde een glas bier. Toen er na een tijdje nog niemand met het bier was gekomen, ging hij weg; ook had het metalen tafelblad, waarop geen tafelkleed lag, hem verblind. Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.

In het Prater raakte hij bij een vechtpartij betrokken. Een knaap trok hem van achteren snel de jas over zijn armen, een ander gaf hem met zijn hoofd een stoot onder zijn kin. Bloch zakte iets door zijn knieën en gaf toen de knaap voor hem een trap. Ten slotte duwden ze hem met zijn tweeën achter een snoepgoedkraam en sloegen hem neer. Hij viel om en ze liepen weg. In een toilet maakte Bloch zijn gezicht en zijn kleren schoon.

In een café in het tweede stadsdistrict biljartte hij tot op de televisie de sportuitzending begon. Bloch vroeg de serveerster of ze de tv wilde aanzetten, maar keek daarna toe alsof het hem allemaal niets aanging. Hij nodigde de serveerster uit om iets met hem te drinken. Toen de serveerster uit de achterkamer terugkwam, waar men een verboden spel aan het spelen was, stond Bloch al bij de deur; ze liep langs hem heen maar zei niets; Bloch ging naar buiten.

Weer terug op de Naschmarkt, bij het zien van de slordig opgestapelde groente- en fruitkratjes achter de kramen, had hij opnieuw het gevoel dat de kratjes een soort grap waren, niet serieus bedoeld. Net grappen zonder woorden! dacht Bloch, die graag naar grappen zonder woorden keek. Zijn indruk van een toneelstukje – ‘dat gedoe met het scheidsrechtersfluitje in de plunjezak!’ dacht Bloch – verdween pas in de bioscoop, waar een clown in het voorbijgaan als bij toeval een trompet van een rommelwinkel pakte en daarop als vanzelfsprekend probeerde te blazen. Die trompet, en daarna ook alle andere dingen, herkende hij als echt en niet voor misverstand vatbaar. Bloch werd rustig.

Na de film wachtte hij tussen de kramen van de Naschmarkt op de juffrouw van de kassa. Een tijdje nadat de laatste voorstelling was begonnen, kwam ze uit de bioscoop. Om haar niet te laten schrikken als hij tussen de kramen naar haar toe kwam lopen, bleef hij op het kratje zitten tot ze op een iets lichter gedeelte van de Naschmarkt was gekomen. In een van de verlaten kramen ging achter de neergelaten golfplaten een telefoon; het telefoonnummer van de kraam stond in grote letters op de golfplaten. ‘Ongeldig!’ dacht Bloch onmiddellijk. Hij volgde de juffrouw van de kassa zonder haar in te halen. Toen ze in de bus stapte kwam hij daar ook net aan en stapte na haar in. Hij ging tegenover haar zitten, maar zo dat er een paar rijen tussen hen in waren. Pas toen een halte verder nieuwe passagiers hem het uitzicht belemmerden, kon Bloch weer beginnen met denken: ze had hem weliswaar aangekeken, maar hem blijkbaar niet herkend; zou hij er door die vechtpartij zo anders uitzien? Bloch tastte over zijn gezicht. Hij vond het belachelijk om met een blik in het raam van de bus na te gaan wat zij op dat moment deed. Hij haalde de krant uit de binnenzak van zijn jas, keek naar de letters, maar las niet. Toen, opeens, merkte hij dat hij las. Een ooggetuige vertelde van een moord op een souteneur, die van korte afstand dwars door zijn oog was geschoten. ‘Aan de achterkant vloog een vleermuis uit zijn hoofd, die tegen het behang sloeg. Mijn hart stond even stil.’ Toen, zonder dat er een nieuwe alinea begon, de zinnen opeens over iets heel anders, over een andere persoon gingen, schrok hij op. ‘Hier had toch een nieuwe alinea moeten beginnen!’ dacht Bloch, die na zijn korte moment van schrik woedend was geworden. Hij liep tussen de banken door naar de juffrouw van de kassa en ging schuin tegenover haar zitten, zodat hij haar kon aankijken; maar hij keek haar niet aan.

Toen ze uitstapten merkte Bloch dat ze ver buiten de stad waren, in de buurt van de luchthaven. Het was hier nu, midden in de nacht, heel stil. Bloch liep naast het meisje, maar niet alsof hij haar wilde begeleiden of haar zelfs
begeleidde. Na een tijdje raakte hij haar aan. Het meisje bleef staan, draaide zich naar hem toe en raakte hem ook aan, zo heftig dat hij schrok. De handtas in haar vrije hand leek hem een ogenblik vertrouwder dan zijzelf.

Ze liepen een tijdje naast elkaar, met wat ruimte tussen hen in, zonder elkaar aan te raken. Pas in het trappenhuis raakte hij haar weer aan. Ze begon te hollen; hij liep langzamer. Toen hij bovenkwam herkende hij haar woning aan de wijd openstaande deur. In de duisternis liet ze merken waar ze zich bevond; hij ging naar haar toe en ze lieten zich onmiddellijk met elkaar in.

Toen hij ’s morgens, door lawaai gewekt, uit het raam van het appartement keek, zag hij een vliegtuig landen. Het knipperen van de positielichten van de machine bracht hem ertoe het gordijn dicht te trekken. Omdat ze nog geen licht hadden aangedaan, was het gordijn opengebleven. Bloch ging liggen en sloot zijn ogen.

Zo, met gesloten ogen, was hij op een merkwaardige manier niet in staat zich iets voor te stellen. Hoewel hij met alle mogelijke benamingen probeerde zich de voorwerpen in de kamer voor de geest te halen, kon hij zich van niets voorstellen hoe het eruitzag; zelfs het vliegtuig dat hij zo-even had zien landen en waarvan hij het gepiep van de remmen op de landingsbaan wel van vroeger kende, had hij in gedachten niet kunnen natekenen. Hij opende zijn ogen en keek een tijdje naar de kookhoek: hij prentte zich in hoe de theeketel eruitzag en de verwelkte bloemen die uit de wasbak hingen. Nauwelijks had hij zijn ogen gesloten of hij kon zich al niet meer voorstellen hoe de bloemen en de theeketel eruitzagen. Hij behielp zich door voor die dingen zinnen te vormen in plaats van woorden, waarbij hij van mening was dat een verhaal van zulke zinnen het hem zou kunnen vergemakkelijken zich de dingen voor te stellen. De theeketel floot. De bloemen had het meisje gekregen van een vriend. Niemand pakte de theeketel van het kookplaatje. ‘Zal ik thee zetten?’ vroeg het meisje. Het hielp niets: toen hij het niet meer uithield, deed Bloch zijn ogen open. Het meisje naast hem sliep.

Bloch werd nerveus. Enerzijds die opdringerigheid van alles om hem heen als hij zijn ogen open had, anderzijds die nog ergere opdringerigheid van de woorden voor de dingen om hem heen als hij zijn ogen gesloten had! ‘Of het komt doordat ik net nog met haar heb geslapen?’ dacht hij. Hij ging naar de badkamer en douchte lang.

De theeketel floot werkelijk toen hij terugkwam. ‘Ik ben wakker geworden van de douche!’ zei het meisje. Het leek Bloch alsof ze voor de eerste keer direct tegen hem sprak. Hij antwoordde dat hij nog niet helemaal bij zijn positieven was. Of er mieren in de theepot zaten? ‘Mieren?’ Toen het kokende water uit de theeketel neerkwam op de bodem van de theepot zag hij in plaats van de theebladeren de mieren die hij een keer had overgoten met kokend water. Hij trok het gordijn weer open.

Omdat het licht alleen door het kleine ronde dekselgat viel, werd de thee in het open blik door de weerspiegeling aan de binnenkant op een vreemde manier belicht. Bloch, die met het blik aan de tafel zat, keek star door het dekselgat. Het amuseerde hem dat hij zo werd aangetrokken door het vreemde lichten van de theebladeren, terwijl hij gelijktijdig met het meisje sprak. Ten slotte drukte hij het deksel op de opening en stopte op hetzelfde moment met praten. Het meisje was niets opgevallen. ‘Ik heet Gerda!’ zei ze. Bloch had dat helemaal niet willen weten. Of haar niets was opgevallen, vroeg hij, maar ze had al een plaat op de platenspeler gelegd, een Italiaans liedje met elektrische gitaarbegeleiding. ‘Ik vind zijn stem geweldig!’ zei ze. Bloch, die niets met Italiaanse liedjes had, zweeg.

Toen ze even wegging om iets voor het ontbijt te halen – ‘Het is maandag!’ zei ze – kon Bloch eindelijk alles rustig bekijken. Tijdens het eten spraken ze veel. Na een tijdje merkte Bloch dat ze over de dingen die hij haar net had verteld, al sprak alsof het over iets ging wat ze zelf had verteld, terwijl hij daarentegen, als hij iets noemde waarover zij zojuist had gesproken, haar of steeds voorzichtig citeerde of zodra hij er met eigen woorden over sprak telkens een bevreemdend of gedistantieerd ‘deze’ of ‘die’ toevoegde, alsof hij bang was haar zaken tot de zijne te maken. Sprak hij bijvoorbeeld over de voorman of over een voetballer die Stom heette, dan kon zij kort daarop heel vertrouwelijk ‘De voorman’ en ‘Stom’ zeggen; hij daarentegen zei, als zij had gesproken over een kennis die ‘Freddy’ en een kroeg die ‘Stephanskelder’ heette, in het antwoord steeds: ‘die Freddy?’ en: ‘die Stephanskelder?’ Alles wat zij te berde bracht weerhield hem ervan erop in te gaan en het stoorde hem dat zij alles wat hij zei, naar het hem scheen, heel ongegeneerd gebruikte.

Een paar keer evenwel, tussen de bedrijven door, werd het gesprek gedurende korte tijd voor hem net zo vanzelfsprekend als voor haar: hij vroeg haar iets en zij antwoordde; zij vroeg en hij gaf een vanzelfsprekend antwoord. ‘Is dat een straalvliegtuig?’ – ‘Nee, dat is een propellermachine.’ – ‘Waar woon je?’ – ‘In het tweede district.’ Bijna had hij haar zelfs over de vechtpartij verteld.

Maar toen stoorde alles hem steeds meer. Hij wilde antwoorden, maar brak zijn zin af omdat hij wat hij wilde gaan zeggen als bekend veronderstelde. Ze werd onrustig, liep door de kamer heen en weer; ze zocht iets te doen, glimlachte af en toe dom. Er verstreek wat tijd met het omdraaien en wisselen van platen. Ze stond op en ging op het bed liggen; hij ging bij haar zitten. Ze vroeg of hij vandaag naar zijn werk ging.

Plotseling wurgde hij haar. Hij had meteen zo krachtig gedrukt dat ze er niet eens aan toe kwam het nog als een grap op te vatten. Bloch hoorde buiten op de gang stemmen. Hij had doodsangst. Hij zag dat er iets vloeibaars uit haar neus kwam. Ze rochelde. Ten slotte hoorde hij een geluid alsof er iets brak. Het was alsof er op een hobbelige weg plotseling een steen tegen de onderkant van de auto sloeg. Er was speeksel op de linoleumvloer gedropen.

De beklemming was zo sterk dat hij meteen moe werd. Hij ging op de grond liggen, niet in staat om te slapen en niet in staat om zijn hoofd op te tillen. Hij hoorde van buiten iemand met een doek op de deurknop slaan. Hij luisterde. Er was niets te horen geweest. Dus moest hij toch in slaap zijn gevallen.

Hij had niet veel tijd nodig om wakker te worden; meteen toen hij wakker werd, had hij het gevoel dat hij van alle kanten open was; alsof het in de kamer tocht, dacht hij. En hij had niet eens een schaafwond! Toch verbeeldde hij zich dat uit zijn hele lichaam een lymfachtige vloeistof naar buiten drong. Hij stond op en veegde alle voorwerpen in de kamer met een droogdoek af.

Hij keek uit het raam: beneden liep iemand met een arm vol kostuums op kleerhangers over het gazon naar een bestelauto.

Hij verliet het huis met de lift en liep een tijd zonder van richting te veranderen. Later nam hij de bus naar de eindhalte van de tram en van daaruit ging hij met de tram naar de binnenstad.

 

Vertaling Gerrit Bussink

Paperback met flappen,

112 blz.

Prijs: € 18,50

ISBN 9789492313966

Verschenen december 2019

 

Peter Handke