Juist de prozaschetsen laten als het ware uit de eerste hand zien waar het Rilke in zijn grootse
gedichtencollecties en -reeksen om te doen is: de natuur of de werkelijkheid erdoor gegrepen
kunnen begrijpen, en dat door middel van juist het materiaal dat de mens ervan
(onder)scheidt: de taal. Hij wil als het ware opgaan in het natuurlijke juist door de
kunstmatig lijkende reflectie erover niet op te geven, want hoort die niet tot de aard of natuur
van de mens? Rilke doet dat door te proberen zo terloops mogelijk gespitst te zijn op
momenten en verschijnselen die ons even uit het dagdagelijkse, normale bestaan trekken,
zoals wanneer in de sequentie van zijn fictieve droomdagboek de tijd zich toont in ‘vreemde
langgerekte ogenblikken waarin ik heel veel zag’.

De andere kant van de natuur en ander kort proza omvat twaalf prozaschetsen die Rilke in
het tweede decennium van de twintigste eeuw schreef en die niet eerder samen in
Nederlandse vertaling in boekvorm verschenen.

Désanne van Brederode in de Volkskrant:’Zelden waren iemands gemoed en geest zo tastbaar – door de woorden en over de dood heen.’ 

https://www.volkskrant.nl/de-gids/deze-boeken-zijn-ook-interessant-en-wel-hierom~b8a056af/

 

Karel Alleene geeft **** aan De andere kant van de natuur van Rilke: 

‘De andere kant van de natuur’ is ideale lectuur voor een stil moment tijdens een rustige vakantiedag. Jammer dat het zo lang wachten is geweest op een Nederlandse vertaling.’

http://www.cuttingedge.be/boekenstrips/rainer-maria-rilke-de-andere-kant-van-de-natuur

 

Boekhandel Van Someren & Ten Bosch tipt Rilke:

 ‘Mandarijnrood, verrukkelijk zoals ik ze voor de namiddagse wintergrijsheid in de hoek van de muur voor het Pantheon zag staan: neergezette borden van hommes-sandwiches, hoogpotig als muggen.’ Als Rainer Maria Rilke (1875-1926) rond 1900 in Parijs is, ziet hij zelfs in banale reclameborden iets bijzonders en betekenisvols. Dat is herkenbaar voor liefhebbers van Rilkes gedichten, waarin vaker het magische achter het alledaagse zichtbaar wordt. Hetzelfde geldt voor de verhalen in De andere kant van de natuur (Koppernik, 2019). Huub Beurskens, vertaler van dit onbekende werk, is zelf ook dichter. En dat merk je: de bundel staat vol prachtige poëtische beschrijvingen. De andere kant van de natuur is een bundel om steeds weer van de plank te pakken.’

https://www.somerentenbosch.nl/tips/rainer-maria-rilke-de-andere-kant-van-de-natuur/

 

Elisabeth Francet op Geendagzonderboeken: 

‘Rilkes weelderige en levendige beschrijving van een processie in de Vlaamse stad ‘Veurne’ doet naar adem happen.’ 

https://geendagzonderboek.com/2019/07/03/schijnbaar-terloops/

Gym

In de militaire school van Sankt Severin. Gymzaal. In de lichtgekleurde tijkhemden staat de klas in twee rijen opgesteld onder de grote gaslampen. De gymleraar, een jonge officier met een hard, getaand gezicht en spottende ogen, heeft het commando tot vrije
oefeningen gegeven en deelt nu de groepjes in. ‘Eerste groep rekstok, tweede groep brug, derde groep paard, vierde groep klimmen! Ingerukt!’ En op hun lichte schoenen met colofonium op de zolen verspreiden de jongens zich ogenblikkelijk. Enkelen blijven midden in de zaal staan, aarzelen, quasi-onwillig. Ze vormen het vierde groepje, dat van de slechte gymnasten die geen zin hebben om iets aan de toestellen te doen en al moe zijn van de twintig kniebuigingen, een beetje ontredderd en buiten adem.

Maar een van hen, normaal hierbij altijd de laatste, Karl Gruber, is al bij de klimstangen die in een nogal schemerige hoek van de zaal staan opgesteld, pal voor de nissen waar de uitgetrokken uniformen hangen. Hij heeft de eerste de beste stang vastgepakt en trekt die met buitengewone kracht naar voren, zodat ze vrij op de voor de oefening geschikte plaats staat te wiegen. Gruber laat de stang niet eens eerst weer los, hij springt omhoog en blijft op een behoorlijke hoogte aan de stang hangen, met zijn benen onwillekeurig in de klemhouding waar hij eerder nooit iets van heeft begrepen. Daar wacht hij op zijn groepje en kijkt, zo lijkt het, met veel genoegen naar de verbaasde irritatie van de kleine Poolse onderofficier die roept dat hij eraf moet springen. Maar Gruber is dit keer zelfs ongehoorzaam en Jastersky, de blonde onderofficier, schreeuwt ten slotte: ‘Of je komt nu naar beneden of je klimt naar boven, Gruber! Anders rapporteer ik het de luitenant…’ En Gruber begint te klimmen, eerst ijverig, gehaast, waarbij hij zijn benen niet erg mee laat werken en zijn blik steeds weer omhoog richt om met een zekere angst te kunnen inschatten hoeveel van de onmetelijke hoogte van de stang nog gehaald moet worden. Dan vertraagt zijn beweging en alsof hij van elke greep geniet als van iets nieuws, iets aangenaams, trekt hij zich verder omhoog dan er gewoonlijk geklommen hoeft te worden. Hij slaat geen acht op de agitatie van de toch al geprikkelde onderofficier, hij klimt en klimt, met zijn blik telkens omhoog alsof hij een ontsnappingsmogelijkheid in het plafond van de zaal heeft ontdekt en die wil bereiken. Het hele groepje kijkt wat hij aan het doen is. En ook hier en daar in de andere groepjes begint men de klimmer al in de gaten te krijgen die anders hijgend, met een rood hoofd en kwade ogen, nauwelijks tot een derde van de stang kon komen. ‘Bravo, Gruber!’ roept iemand helemaal uit groep één. En nu beginnen er veel die kant op omhoog te kijken en het wordt een poosje stil in de zaal – maar precies op het moment dat alle blikken op de gestalte van Gruber gericht zijn, maakt hij daarboven onder het plafond een beweging alsof hij ze allemaal van zich af wil schudden, maar omdat hem dat blijkbaar niet lukt, bindt hij al die blikken boven aan de kale ijzeren haak vast en suist hij langs de gladde stang naar beneden, zodat iedereen nog altijd naar boven staat te kijken als hij al lang, duizelig en verhit, beneden staat en met vreemd matte ogen naar zijn gloeiende handpalmen kijkt. Wat er vandaag met hem aan de hand is, wil die of die van het stel kameraden bij hem in de buurt weten. ‘Wil je soms in groep één komen?’ Gruber lacht en lijkt iets te willen antwoorden, maar hij bedenkt zich en slaat gauw zijn ogen neer. Vervolgens, terwijl de herrie en het gebonk weer verdergaan, trekt hij zich stil terug in de nis, gaat zitten, kijkt bang om zich heen en haalt adem, twee keer kort, en lacht weer en wil iets zeggen… maar er is al niemand meer die nog acht op hem slaat. Alleen Jerome, die ook bij groep vier hoort, ziet dat hij weer naar zijn handen kijkt, helemaal voorovergebogen als iemand die bij zwak licht een brief probeert te ontcijferen. En even later gaat hij bij hem staan en vraagt: ‘Heb je je pijn gedaan?’ Gruber schrikt. ‘Wat?’ zegt zijn zoals doorgaans in speeksel wadende stem. ‘Laat eens zien!’ Jerome pakt een van de handen van Gruber en draait die naar het licht. De muis is een beetje geschaafd. ‘O, daar heb ik wel iets voor,’ zegt Jerome, die altijd Engelse hechtpleister van zijn ouders gestuurd krijgt, ‘kom straks even naar me toe.’ Maar het lijkt wel alsof Gruber niet heeft geluisterd; hij kijkt strak de zaal in, alsof hij er iets vaags ziet, misschien niet in de zaal, misschien buiten, achter de ramen, hoewel het donker is, laat en herfst.

Op dit moment roept de onderofficier op zijn hooghartige toon: ‘Gruber!’ Gruber blijft waar hij is, alleen schuiven zijn voeten, die hij voor zich uit heeft gestoken, stram en harkerig een stukje verder over de gladde houten vloer. ‘Gruber!’ brult de onderofficier met overslaande stem. Hij wacht een paar tellen en zegt dan vlug en hees, zonder naar de geadresseerde te kijken: ‘Je meldt je na de gym. Ik zal jou eens…’ En de gym gaat verder. ‘Gruber,’ zegt Jerome. Hij buigt zich over zijn kameraad die steeds verder achteroverhangt in de nis, ‘jij bent weer aan de beurt om te klimmen, in het touw, ga nu maar, probeer het, anders maakt Jastersky er een toestand van, weet je…’ Gruber knikt. Maar in plaats van dat hij opstaat, doet hij opeens zijn ogen dicht en zakt onder de woorden van Jerome weg alsof hij door een golf wordt gedragen, weg, zakt langzaam en geluidloos dieper, dieper, zakt van de bank, en Jerome beseft pas wat er gebeurt wanneer hij het hoofd van Gruber hard op het hout van de bank hoort klappen en het dan voorover ziet knikken… ‘Gruber!’ roept hij schor. Niemand die iets in de gaten heeft. En Jerome staat er hulpeloos bij, met zijn armen langs zijn lijf, en roept: ‘Gruber, Gruber!’ Hij komt niet op het idee hem overeind te helpen. Hij krijgt een por, iemand zegt ‘Sukkel’ tegen hem, hij wordt door iemand anders opzij geduwd en ziet hoe ze de bewegingloze optillen. Ze dragen hem weg, ergens heen, waarschijnlijk in het aangrenzende vertrek. De luitenant komt erbij. Met harde, luide stem geeft hij zeer korte bevelen. Zijn dienstorders doen het gonzen van alle kletsende jongens meteen verstommen. Stilte. Nog slechts hier en daar beweging, uitschommelen aan een toestel, een zachte afsprong, een late lach van iemand die niet weet wat er aan de hand is. Daarna jachtige vragen: ‘Wat? Wat? Wie? Gruber? Waar?’ En steeds meer vragen. Iemand zegt hardop: ‘Bewusteloos.’ En commandant Jastersky loopt met een rood hoofd achter de luitenant aan en roept met een venijnige stem, trillend van woede: ‘Een simulant, luitenant, een simulant!’ De luitenant slaat geen acht op hem. Hij kijkt strak voor zich uit, knauwt op zijn snor, waardoor zijn harde kin nog hoekiger en energieker naar voren komt, en geeft een paar korte instructies. Vier cadetten die Gruber dragen verdwijnen samen met de luitenant in het vertrek. De cadetten komen meteen terug. Een adjudant komt door de zaal aangelopen. Het viertal wordt met grote ogen aangekeken en met vragen bestookt: ‘Hoe ziet hij eruit? Wat is er met hem? Is hij weer bij kennis?’ Niemand van hen weet eigenlijk iets. En nu roept de luitenant de zaal in dat er verder gegymd moet worden en hij draagt het commando over aan sergeant Goldstein. Dus wordt er weer gegymd, aan de brug, aan de rekstok, en de kleine gezette types van groep drie schuiven met wijd gespreide benen over het paard. Maar toch zijn alle bewegingen anders dan tevoren, alsof ze met luisteren bezig zijn. Het zwaaien aan de rekstok breekt zo abrupt af en aan de brug worden alleen nog maar kleine oefeningen gedaan. De stemmen lopen minder door elkaar en het zoemen ervan zoemt lichter, alsof iedereen almaar één woord zegt: ‘Sss, sss, sss…’ De kleine sluwe Krix luistert intussen aan de deur van het vertrek. De onderofficier van de tweede groep jaagt hem weg door voor een klap op zijn achterste uit te halen. Krix springt weg, katachtig, met listig flitsende ogen. Hij weet al genoeg. En even later, als niemand op hem let, geeft hij het door aan Pavlovitsj: ‘De regimentsarts is er.’ Nou, Pavlovitsj staat erom bekend: met al zijn brutaliteit loopt hij, alsof iemand het hem heeft bevolen, dwars door de zaal van groep naar groep om vrij luid te verkondigen: ‘De regimentsarts is binnen.’ Ook de onderofficieren lijken zich voor deze inlichting te interesseren. Steeds vaker draaien de blikken naar de deur, steeds trager worden de oefeningen; een kleine met donkere ogen is boven op het paard blijven zitten en staart met open mond naar het vertrek. Er lijkt iets verlammends in de lucht te hangen. De sterksten van de eerste groep beijveren zich weliswaar nog enigszins, maar ze gaan daar tegenin, draaien met hun benen; en Pombert, de sterke Tiroler, buigt zijn arm en bekijkt zijn biceps, die zich groot en strak aftekent in het tijk. Ja, de kleine lenige Baum turnt zelfs nog draaiingen aan de rekstok – en opeens is die intense beweging de enige in de hele zaal, een grote wervelende cirkel die iets onheilspellends heeft midden in de algehele stilte. En met een afsprong komt de kleine eenling tot stilstand, zakt misnoegd gewoon even door de knieën en trekt een gezicht alsof hij iedereen veracht. Maar ook zijn kleine doffe ogen hechten zich ten slotte aan de deur van het vertrek.

Nu zijn het zingen van de gasvlammen en het tikken van de wandklok te horen. En dan knarst het uurwerk om het uur te slaan. Vreemd en typisch
is dat geluid vandaag; het houdt ook abrupt op, onderbreekt zichzelf midden in wat het zegt. Maar
sergeant Goldstein kent zijn plicht. ‘Aantreden!’ roept hij. Niemand hoort hem. Niemand kan zich herinneren wat de betekenis van dat woord was – ooit. Wanneer ooit? ‘Aantreden!’ kraakt de sergeant kwaad, waarop de onderofficieren het prompt ook beginnen te roepen: ‘Aantreden!’ En ook meerdere cadetten zeggen als tegen zichzelf, als in hun slaap: ‘Aantreden! Aantreden!’ Maar in feite weten ze allemaal dat ze nog op iets moeten wachten. En daar gaat ook al de deur van het vertrek open – even niets – dan komt luitenant Wehl naar buiten, met grote, grimmige ogen en kordate passen. Hij marcheert als bij een defilé en zegt hees: ‘Aantreden!’ Onbeschrijflijk snel staat iedereen nu in het gelid. Niemand verroert zich. Alsof er een opperbevelhebber aanwezig is. En nu het commando: ‘Geeft acht!’ Pauze en dan, droog en hard: ‘Jullie kameraad Gruber is zojuist overleden. Hartaanval. Voorwaarts – mars!’ Pauze.

En pas na enkele tellen klinkt de stem van de dienstdoende cadet, klein en zachtjes: ‘Links – om. Voorwaarts: compagnie – mars!’ Uit de pas draait de klas langzaam richting deur. Jerome als laatste. Niemand kijkt om. De lucht uit de gang komt de jongens koud en bedompt tegemoet. Eentje vindt dat het naar carbol ruikt. Pombert maakt luidruchtig een platte grap over de stank. Niemand lacht. Jerome voelt plotseling dat hij aan zijn arm wordt getrokken, alsof hij wordt aangevallen. Krix hangt aan zijn arm. Zijn ogen glanzen en zijn tanden glinsteren, alsof hij wil bijten. ‘Ik heb hem gezien,’ fluistert hij ademloos en knijpt Jerome in zijn arm, en hij moet schudden van een inwendig lachen. Hij komt amper uit zijn woorden: ‘Hij is helemaal naakt en ingevallen en heel lang. En hij is verzegeld aan zijn voetzolen…’

Dan begint hij te giechelen, schril, alsof hij wordt gekieteld, hij giechelt en bijt zich vast in de mouw van Jerome.

 

Vertaling Huub Beurskens

Paperback met flappen, 96 blz.
Prijs € 17,50
ISBN 978 94 923 1367 6

Verschijnt mei 2019

Auteur