Speelse zoektocht naar de liefde in het moderne Europa

Op een lome vakantie aan de Atlantische kust ontmoeten de onafhankelijke Tobias en de weifelende Wouter elkaar. De belofte van een eerste grote liefde rammelt aan de deur en laat hen in vrolijke verwarring achter. Ook als de jaren voorbijgaan en de jongens voorzichtig volwassen worden, slijt de belofte niet. Aan de hand van een speelse speurtocht door de literatuur, de schilderkunst en de stadsparken van Europa lopen ze elkaar achterna. Maar weten ze elkaar ook te vinden?

Dans, Panfilo, dans is een wervelend Walseriaans portret van de ontluikende liefde tussen twee jongens. Met de kunst als kompas en in een verrassende, theatrale stijl, wordt de lezer meegevoerd over het Europese continent op zoek naar de betekenis van verlangen in de huidige gefragmenteerde tijd.

Gelukkig bevond hij zich sinds kort in iets wat je goed gezelschap zou kunnen noemen. Hij had misschien geheel per ongeluk en geheel ondanks zichzelf betrekkingen aangeknoopt met een aantal leeftijdsgenoten. Ze hadden hem geleerd zich onder de mensen te begeven. Ze beriepen zich op iets wat zij vriendschap noemden. Tot groot plezier van onze Tobias of hoe hij ook moge heten. Stel je ons voor terwijl we door de raadselachtige Hanzestad dartelen. Wat kenmerkt ons, behalve onze niet-aflatende nieuwsgierigheid naar elkaar en naar de wereld. Ja, dat mocht vriendschap heten. Daarbij lieten we ons niet van de wijs brengen door onze onhebbelijkheden, door onze karakterfouten, zelfs niet door onze diepste, duisterste kanten. We gunden elkaar veel, om niet te zeggen alles. Gesterkt door deze wetenschap gingen we op pad en zaaiden links en rechts verwarring. We hoefden niet gevat te zijn. Sterker: we probeerden het te vermijden. Gevatheid zet een punt achter gedachten die nog niet af zijn. Gevatheid kan een gesprek vermoorden. Gevatheid is een symptoom van de puberteit. Sowieso zou ik willen voorstellen dat we vanaf nu pas op ons vijfentwintigste beginnen aan onze tienerjaren. De maatschappij is toch niet ingericht op onze volwassenwording. We hebben ons nooit als uitzonderingen beschouwd. We waren allemaal volgestopt met ambitie en in die zin waren we toch ook echt kinderen van onze tijd, om die smerige uitdrukking maar eens in de mond te nemen. De tijd was ook wel veeleisend, vandaar dat we hem met anachronismen van de wijs probeerden te brengen. Anderen noemden het onwetend nostalgie. We waren onbemiddeld, zoals dat heet. We moesten het doen met ons rechtvaardigheidsgevoel. Maar onze plicht was nieuwsgierigheid. En daarom dronken we bier met de tegenpartij, terwijl dat een gevaarlijk spel was nu onze generatie binnen vijf jaar politiek geworden was en voor sommigen het schudden van een hand al het bieden van een podium heette. Alleen al daarover zou Tobias een boek kunnen volschrijven. Over de betekenis van deze aanraking. Over de reserve, de zuinigheid waarmee Noord-Europeanen elkaar de hand reiken. Over het breedgedragen misverstand dat we ophouden bij de zichtbare grens van onze hand, terwijl alle moderne wetenschap dit tegenspreekt – niet alleen de sociologie en de kwantumfysica, ook de microbiologie. Over de jongens op het internaat, en hoe zij met hun uitgestoken arm alles op afstand hielden. Over de jaren van toenadering die tussen een hand, een hand met een tweede hand erop, en een omhelzing lagen, en over de vanzelfsprekendheid waarmee zijn nieuwe vrienden elkaar – en hem, al bij de tweede ontmoeting – in de armen namen. Zijn verbazing hierover. Hun warmbloedigheid. Zijn ontzag hiervoor. Hoeveel ze hem nog zouden kunnen leren.
Maar laten we ons niet te veel hechten aan deze vrienden. Ze staan hier vermeld omdat ze bestaan, maar dit boek gaat niet over hen. Dit boek gaat over Tobias, of Wouter, of hoe hij ook moge heten. Het volstaat nog te zeggen dat hun idealen speels waren. En dat ze veel lachten. En nog kun je je opwinden, en kleur bekennen, en strijd leveren. Maar een lach is geen verlamming. Een lach is een emancipatie. En wie zijn kop uitsteekt, stoot nu eenmaal vaker zijn hoofd.
Het zou op dit punt misschien goed zijn als hij voor zichzelf sprak. Tobias bedoel ik. Of durf ik te beweren dat hij probeerde zuiver te redeneren, met inbegrip van zijn eigen feilbaarheid en tegenstrijdigheden? (Is dit een ophemeling? Ik zou er niet van willen worden beschuldigd.) Hoe dan ook leidde alles ertoe dat hij dapper genoeg was om alleen op ontdekkingsreis te gaan. Hij was inmiddels al zesentwintig, want hij was een laatbloeier. Een aantal ingewikkelde omstandigheden hadden hem beroofd van wat je een normale jeugd mag noemen. Het zou hem ervoor behoeden zich al te snel oud te voelen.
We laten zijn vrienden dus in Hamburg achter en vertrekken naar Parijs. Het belooft in alle opzichten een belangrijke week te worden. Een week waarin we god in hoogsteigen persoon tegen het lijf lopen. Een week die eindigt met een grote rookpluim boven de stad. Ja, de kamer op de zesde verdieping bij Simplon is heel bevallig. Het raam biedt uitzicht op de Sacré-Coeur. Het appartement is van een architect; product van een Japanse moeder en een Franse vader. Hij heeft een klein altaar ingericht op een kersenhouten secretaire. In het midden zijn gekalligrafeerde mantra. Vooral het gelijmde bakeliet in de deksel van de oude Peugeot-koffiemolen zal Tobias bijblijven en de mooie Deense stoelen en de eettafel die sprekend op die van zijn grootvader lijkt. Tobias voelt zich thuis bij hem.
Een dergelijke zin mag je niet zomaar voorbij laten gaan. Het wil iets zeggen wanneer we ons ergens thuis voelen. Daar moeten we niet lichtzinnig mee omspringen. Hij had toch maar anderhalf jaar in het internaat in Burgwesel hoeven zitten voordat hij achttien werd en het huis in de Eichenstraße op zijn naam kwam te staan. Daar stond alles nog zoals hij het twee jaar eerder had achtergelaten, ook de grootvaderlijke eettafel, en zelfs de geur van zijn moeder hing nog in haar slaapkamer, maar zij was er niet meer. Het verbaasde hem, die eerste maanden, hoe erg hij weer moest wennen aan de stad en haar geluiden en hoe hij de honden miste. De jongens uit het internaat miste hij niet. Hij zou het anders aanpakken dan zij. Alleen soms dacht hij aan Tommie, die nog het meest op een vriend had geleken maar het nooit echt was geweest. Tommie, die later garçon voor mannen ging spelen om zijn studie te betalen. Ze namen hem mee naar Monaco of naar Zandvoort, naar de Formule 1, die hem zeker niet interesseerde, en daarna namen ze hem mee naar het hotel.
Genoeg daarover. Het is verleden tijd. We zijn in Parijs! Het is april en de zon schijnt! Maar toch verlangen we naar het verwachtingsvolle, haast magische duister van een loge op het tweede balkon van een oude bonbonnière, waar – als het even kan – de verf van de muren bladdert. Ja, we willen een voorstelling zien. Bij voorkeur een komedie. En belangrijker: we willen de theaters zien. Dus hup, op naar het huis van Molière, op naar de Comédie-Française, naar het Palais-Royal, met zijn plafondschilderingen, met zijn bustes, met zijn marmeren trappen en zijn kroonluchters en zijn zwart-witte tegelvloer, als een schaakbord. Halverwege de trap zou je een potje kunnen spelen. De bestgeklede bezoekers mogen koning en koningin zijn. In de Duitse schouwpaleizen kon je je eigenlijk alleen als grijsaard op je gemak voelen. Als je er jonger dan zestig uitzag werd je afgeblaft. Jonge mensen dienen te worden afgeblaft. Jonge mensen dienen te worden gewantrouwd.
Voel je je jong? Niet bepaald. Niet jong genoeg in elk geval voor de Planlosigkeit die je jezelf verwijt, voor de innerlijke verstrooidheid die je noopt om dingen te ondernemen zonder concreet doel. Nu ben je dus opeens in Parijs. Mogen we hopen dat de Fransen in bepaalde opzichten iets minder streng zijn dan de Duitsers? Nee. Ook Parijs geeft zich niet zomaar prijs. Niet zo snel, jochie! Wat denk je wel? Dat jou de stad zomaar ontsloten wordt? We kennen je nog niet eens. Voor zover we weten zou je een dief kunnen zijn, of een spion, of een terrorist. Wat heb je daar in je zak? Is het een pen of een geslepen dolk? Nee, onze deuren blijven dicht voor jou. Aldus sprak de gevel waarachter de schitterende Salle Richelieu zich moest bevinden. En dat noemde zich Comédie. Als iemand die zich van nature tot instituten voelde aangetrokken, verbaasde hij zich keer op keer weer over hun kleinzieligheid. De instituten waarderen geen ongewenst bezoek en dulden geen kritiek. Ze gedragen zich behoudend, geheimzinnig, achterdochtig en ontwijkend, alsof elk zuchtje wind hen aan het wankelen kan brengen. Maar voor wie staat er werkelijk iets op het spel, voor hen daarbinnen of voor ons die buiten staan?
Het aroma van de angst van de machthebbers was in elk bestanddeel van de lucht, schreef hij stilletjes in een denkbeeldig boek. Wie alleen in de etalage keek kon het niet zien, maar wie zijn neus in de wind stak kon het ruiken, en het vulde stukje bij beetje de longen van de mensen, die ook steeds banger en benauwder werden. Het was best goed mogelijk dat er over niet al te lang een revolutie zou uitbreken… Tobias schudde de gedachte af. Hij was niet in de stemming voor politiek.
De wandschilderingen, de bustes, het schaakspel, de marmeren trappen en de kroonluchters bleven dus voorlopig achter slot en grendel. Hij moest het doen met de glimpen door het glas en de foto’s in een foldertje. Badend in het warme licht van de indrukwekkende zuilengalerij bladerde hij erdoorheen en daarna bestudeerde hij het programma aan de wand. Zo te zien speelde er vanavond een bewerking van Fanny & Alexander. De acteurs hadden hun wangetjes bloot geschoren en reusachtige nachthemden aangetrokken om er als kinderen uit te zien, en de bedden op het toneel waren groter, zodat de spelers kleiner leken. In het Théâtre du Vieux-Colombier, de tweede zaal van het vermaarde gezelschap, stond een productie van een met prijzen overladen regisseur uit de Lage Landen, die nu zo ruimhartig was geweest het Parijse ensemble met zijn artistieke signatuur te besprenkelen. Tobias vluchtte snel naar het Odéon. Een van de hekken was al open en de deur gaf mee. Het was er koel en donker als in een wijnkelder, en ook hier lag tussen de zuilen, die meer op schoorstenen leken, weer die geruite vloer, nu een kwartslag gedraaid, net als in het Louvre. Natuurlijk mogen we hier helemaal niet zijn en worden we al snel de duistere theatergrot uit gejaagd door een overijverige kassière, maar dat geeft ons de gelegenheid op het bordes het programma voor de avond te onderzoeken. Even kijken: een jonge regisseur met grote potentie, protegé van bovengenoemde. Een huiskamer op een draaischijf. Echte tranen. Zelfmutilatie. Kindermoord. Verkrachting. Kennelijk is er een stormram voor nodig om een snaar te raken bij het Parijse publiek. Wat is er met de Franse komedies gebeurd? Labiche! Feydeau! Waar zijn jullie gebleven?
Pas op, Tobias, je begint je alweer op te winden. Maar het verveelt je gewoon bij voorbaat, dit toneel waar geen speld tussen te krijgen is. Je kunt beter naar de film, dacht hij terwijl hij het bordes afdaalde naar de straat, waar alles wat menselijker proporties had. Toch laat hij zich niet verleiden door de bioscopen van het Quartier Latin, terwijl we terug de Seine oversteken en koers zetten naar Bastille. Het kleine theater aan de Rue de la Roquette houdt qua inrichting het midden tussen bordeel en brandweerkazerne, maar ook deze rariteit zit achter glas, net als het programma voor de avond. Een voorbijganger zou onze held nu kunnen aanzien voor een hongerige, zij het enigszins kieskeurige toerist die de plats du jour bestudeert. Vanavond is de keuken dicht maar morgen staat er een Spanjaard met zes namen op het menu. Een knipsel uit Le Figaro licht toe: de man met zijn vele namen rolt over het toneel om zich tot verschillende objecten te verhouden, of misschien maar tot één object, dat was onduidelijk. De titel was zo diepzinnig dat Tobias hem meteen vergat.
Kom, we wandelen naar Père-Lachaise en nemen de 2. Misschien wel de leukste metrolijn. Het uitzicht bij Jaurès, waar de trein hoog boven de straat zweeft, langs de ramen op de tweede verdieping, langs de uitlekkende theelepeltjes, tussen de potten en pannen en al het andere keukengerei, zodat de gardes dansen. Dan de koortsachtige drukte bij La Chapelle, waar volk uit alle hoeken van de stad van de trappen rolt en waar op elk verkeerseiland een handeltje wordt gedreven. Het kruispunt, een mierenhoop. We banen ons een weg door de mensen en de auto’s naar het trottoir, waarboven de Haussmann-gevel van het Théâtre des Bouffes du Nord met zijn zes verdiepingen prijkt. Maar we zien het al van een afstandje: de zware houten voordeur zit op de grendel en de gordijnen van de brasserie zijn dicht.
Waarom wend je je niet tot je zoekmachine? Waarom ga je moedwillig van dichte deur naar dichte deur, van teleurstelling naar teleurstelling, als een uitvreter uit een voorbije eeuw? Wat is het nut van deze vruchteloze expeditie? Verlang je naar de mislukking? Misschien wil je de wereld aanschouwen op de jou vertrouwde manier, van buiten, van een afstandje, door het sleutelgat, door de gordijnen. Misschien heiligt het een ander doel, meer literair-alchemistisch van aard, en hoop je dat de omweg je naar nieuwe plekken leidt. Of zoek je stiekem iemand? Tobias plukt een weekagenda uit een plastic bakje aan de deur.
Die koortsachtige honger naar toneel, is het geen dekmantel om op zijn reizen niet herkend te worden als wat hij is: iemand zonder doel of plan. En is de onstilbare, driftige liefde die hij voor deze kunstvorm heeft opgevat niet zijn belijdenis van een andere liefde, die voor een nog nader te noemen personage dat pas in de tweede akte ten tonele zal verschijnen. Is liefde niet trouwens de oorzaak van alles, en bovendien een vrijbrief voor elke mislukking, of maken we ons er dan te makkelijk van af? Wouter had zeker ook zulke gedachten, met zijn hoofse kinderlijk-romantische notie van de menselijke hartstocht die niet verder ging dan wat Hesses kleine held Knulp voelde voor zijn Franziska, waarop haar afwijzing een excuus was om moederziel alleen door het land te trekken met niets dan een knapzak, een mondharmonica en een fascinatie voor het eigen gevoelsleven. Liefde als aanleiding. Liefde als onderwerp van verzen. IJdele liefde.
Als dat een kleine denkfout van Wouter was, dan maakte Tobias er een die ernstiger gevolgen kon hebben, door op de boeken in zijn knapzak af te gaan en niet te beseffen wat hun schrijvers onverteld lieten. Ja, onze grootste vergissing was dat we de eenzaamheid van onze literaire helden letterlijk namen. We zagen ze werkelijk in hun eentje door de van god verlaten en moreel verziekte wereld dwalen, als een spons de indrukken opslurpend. Waarom begreep je niet dat ze in hun boeken deden of ze alleen waren, maar in werkelijkheid altijd onderweg met vrienden, partners en kinderen of minnaars en minnaressen, van wie ze in de papieren viering van hun particuliere waarnemingskracht geen gewag maakten.
We begrijpen alles pas veel te laat. Het papier nog letterlijk nemend besloot Tobias dus dat hij, om te leren zien zoals zij zagen, zich moest losmaken van alles wat hem vertrouwd was, en alleen op pad moest gaan, hoe onnatuurlijk de eenzaamheid ook voelde, hoe zwaar zij hem ook viel. Ja, zijn schrijverschap was gebaseerd op een groot misverstand. Hij was als de toneelspeler die wordt gevraagd: wat zie je? en die niet anders kan antwoorden dan: de muur en de zaal en het tafeltje waaraan de regisseur zit. Later zijn we deze fout niet langer als fout, en je terughoudendheid in het gebruik van de eigen fantasie niet langer als een zwakte gaan beschouwen, maar als een radicale uiting van je nog jonge principes, die je zelf overigens nog niet begreep en zeker niet zo noemde. Je begreep slechts dit: na jarenlang niets dan de sporadische aantekening op losse stukjes papier te hebben geproduceerd, en je enige talent te hebben vergooid aan de beschrijvingen in allerhande programmaboekjes, zou je nu gaan schrijven. En je schrijven zou niet zijn zoals vroeger, geen naïeve fraaiheden meer, je schrijven zou verankerd zijn in de werkelijkheid.
Ja, hij waande zich al schrijver, want hij had opeens zin om met zijn pen wat klappen uit te delen aan onschuldige voorbijgangers en cafégasten. Je wordt nou eenmaal kribbig van zo’n parade van dichte deuren. Gelukkig hield hij zich in. Hij had zich verschanst in een of ander etablissement met spiegels aan de wanden. Een moeder en een dochter aan het tafeltje naast hem spraken over een schoonzoon of een verloofde die echt nodig naar de kapper moest en over een stel dat maar niet zwanger werd en twee kindjes uit Sri Lanka had laten komen waarvan er één heel leuk was en het andere toch veel minder. Soms kreeg hij de behoefte dat soort mensen dood te slaan, maar dat mocht niet en het zou de wereld ook niet verder helpen. Nu zat hij met zijn linkerhand op zijn opschrijfboekje in plaats van op de dolk in zijn gordel, en met in zijn rechterhand de pen in plaats van de revolver die Robert Walser droeg. Verkleed als struikrover poseerde de jonge schrijver op de omslag van het boek dat Tobias in zijn knapzak had. Het was hem per ongeluk toegekomen. Het boek was eigenlijk van Wouter. Hij had het onder zijn jas op het hart gedragen en dat had Tobias weer doen denken aan zijn grootmoeder. Aan hoe de sneeuw op de wachtenden op het plein viel, die winter. Het was vlak na de oorlog en Rotterdam was kapot. Zijn grootmoeder had haar gouden tand verkocht en stond in de rij, niet voor boter, zoals alle andere dagen, maar voor een sprookjesboek. Het eerste sinds de laatste bom was gevallen. Ze zou met het boek ‘onder haar rokken’ naar huis snellen, of naar wat ervan over was, naar de kleine jongen met de o-benen, die later zijn vader zou worden in een andere havenstad. Zo was het hem geschilderd: met de sneeuw en de rokken en de gouden tand. En naar een struikrover uit een van die sprookjes was hij vernoemd: Tobias.
‘Waarom draag je je haar niet los?’ hoort hij aan het tafeltje naast hem vragen. ‘Dat staat je toch zo goed.’ De dochter zwijgt, overweegt nu vermoedelijk zich kaal te scheren. Heeft haar moeder niet dezelfde strijd met haar grootmoeder moeten leveren? Een eindeloze herhaling van zetten. Soms denkt onze held dat hij in de jaren vijftig leeft, en dan zakt de moed hem in de schoenen. Nu gaat het over paraplu’s. Laat een mens toch godverdomme een keer natgeregend worden. Nu weer over de kapper. ‘Niet te veel eraf, hoor!’ Het is een kwelling die hij met een zeker plezier ondergaat. Dan vertrekken ze en is hij alleen en mist hij zijn moeder.
Weet je nog? Je was toen veertien en je had je die zomer voor het eerst geschoren. Alleen de bovenlip. Voor zijn verjaardag had hij een flesje eau de cologne gekregen en hij was er zo zuinig mee dat niemand het rook behalve zij, met haar fijngevoelige neus. Door een woningruil zaten ze in een piepklein en relatief smerig appartementje in de Rue du Château d’Eau, en zonder te ontbijten gingen moeder en zoon ’s ochtends de deur uit. Ze haalden croissants, die ze oppeuzelden op een stoeprand, en een stokbrood voor onderweg. Ter versterking aten ze een gekookt ei in een café achter het station. Die prachtige eierhouder op de bar met het ijzerbeslag en de koperen leuning, en dan al die spiegels aan de wanden, dat was Parijs ten voeten uit. Moeder en zoon hadden geen vastomlijnd plan, altijd leidde de bekoorlijkheid van de architectuur hun dwaaltochten. Op een vlooienmarkt kocht ze een colbert van bruine ribstof voor hem.

 

Kyrian Esser
Dans, Panfilo, dans
Roman
Paperback met flappen, 192 blz.
€ 21,50
ISBN 9789083274348
Verschijnt 14 februari

Kyrian Esser

César Aira
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.