Een vrouw en een man leven in een huis op een duin met zicht op de zee. Hun leven lijkt perfect harmonieus tot de ochtend waarop er lichamen aanspoelen op de kust. Hun veilige wereld verdwijnt, beminnen wordt ontwijken, en de zee brengt hen naar een wereld die ze nooit in het echt hadden gezien. Gescheiden zoeken ze wanhopig naar de herinneringen aan hoe het ooit was, naar wat hen bindt, naar een spoortje hoop aan de horizon. 

Brandingen is een pijnlijk en ragfijn portret van een relatie. Gehavend door de actualiteiten, die we in het alledaagse leven liever negeren, beweegt ze richtingloos naar een nieuw leven waar niets meer is zoals het was. 

Theatergezelschap SKaGeN speelt eind 2021 een bewerking van Brandingen onder de titel De vlucht. Première in De Studio in Antwerpen.

Over eerder werk van Paul Verrept

‘Wat hij schrijft lijkt het resultaat van een tage bedachtzaamheid, waar rigide logica niet aan de orde is.’ Annemie Leysen De Morgen

‘In de boeken van Verrept zitten altijd weerhaakjes die de aandacht van de lezer vasthouden en hem dwingen zich in het verhaal te verdiepen.’ Marita Vermeulen Standaard der Letteren.

‘Paul Verrept vertelt zijn verhaal op de sobere, poëtische toon die hem zo eigen is. Er staat geen woord te veel.’ Veerle Vanden Bosch Standaard der Letteren

 

Over De vloed 

‘Het is verdomd knap hoe Verrept met enkele goedgekozen metaforen de liefdesbreuk linkt aan de schipbreuk van de vluchtelingen. (…) Krop in de keel’  Filip Tielens De Standaard

‘Een intense trip doorheen het hart en het geweten van een vrouw.’ 

‘Paul Verrept zocht en vond woorden die zwanger zijn van knusheid en passie maar ook wankelen van machteloosheid.’  Els Van Steenberghe Knack

‘De vloed’ van Paul Verrept stelt het gedrag van mensen in vraag oog in oog met een situatie die ze liever negeren. Fantastisch en huiveringwekkend’ Gérard Rossi l’Humanité

‘De vloed’ blinkt uit in eenvoud maar is overweldigend diep.’ Lucie Cauwe www.focus-litterature.com 

‘Met finesse wijst ‘De vloed’ ieder voor zich op zijn gedrag in het licht van wat hypocriet  “de vluchtelingencrisis” wordt genoemd. De angst die uit de tekst spreekt, is des te dubbelzinniger omdat het traject van de vrouw wordt gekenmerkt door machteloosheid en eindigt met een mogelijke omkering van rollen.’ Caroline Châtelet www.sceneweb.fr

De lucht kleurt fel rood in de eerste herfstdagen.
We verbazen ons over de kleuren. Vragen ons af of we die al eerder hebben gezien.
We kijken door het grote raam naar de zee.
Onder aan de duin waarop ons huis staat, schuift het water dichterbij.

Wij zitten naast elkaar. Mijn pink raakt de jouwe. We bewegen niet. Onze stilte stopt de tijd.
De golven komen en trekken zich terug.
In de verte: een paar lichten van schepen.
De ondergaande zon werpt lange schaduwen over het strand.
Verder niets.
Jij en ik.

Je kijkt niet opzij.
We hoeven niet naar elkaar te kijken. We kennen het beeld uit ons hoofd. In ons hoofd. Ik ken je blik die staart in de avond.
Een blik waarin de wereld oplost.
Tot je je naar mij toe draait alsof je me dan pas opmerkt.
Dan los ik op in je blik.
Zo gaat het elke avond.
Zo begint al jaren onze nacht.
Zo meteen draai je je naar mij toe. Je zal mij aankijken, en wachten tot ik mijn gezicht naar jou keer.
Ik kan niet wachten tot je je hoofd draait.
Kom dan.
Kijk me aan.
Het is tijd.
Ik neem je mee.
Neem me.
De zee aarzelt straks tussen eb en vloed. Leg mij neer vlak voor het water.
Ik draai mijn hoofd.
Zie je profiel. Niet ingetogen zoals ik je gezicht verwacht, maar met een onrustige trek rond je mond.
Je kijkt naar één punt: een plek op het strand? Of in het water?
Iets wat al je aandacht opeist.
Iets waardoor nu niets anders bestaat.

Nu kijk ik ook.
Ik kijk met je mee. Mijn blik glijdt over het landschap, op zoek naar wat jou zo naar zich toe zuigt.
Verlangend me bij jou aan te sluiten. Te zijn waar jij nu bent.

Nu zie ik het. We zien hetzelfde.
Maar het brengt me niet bij jou.
Op het strand liggen vijf lichamen, vlak bij elkaar.
Geen aangespoelde dieren maar mensen.
Ze liggen in de branding. Ze bewegen niet.
Ik wil me aan je vastgrijpen maar ik verstijf.
Jij doorboort de duisternis die nu snel valt.
Met een ruk sluit ik de gordijnen.
Ik neem je hand, en we lopen naar onze slaapkamer.
In het bed liggen we stil naast elkaar. Op onze rug, starend naar het plafond.
Jij keert je niet naar mij toe. Ik keer me niet naar jou toe.
We horen de zee, het ruisen. Alsof er niets gebeurd is.
Onverstoorbaar zwemmen vissen, krabben.
Onverstoorbaar groeit het wier.

 

Paul Verrept
Brandingen
Novelle
Paperback met flappen
88 blz.
€ 16,50
ISBN 978 90 831 3517 5

Paul Verrept

Paul Verrept
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.