Alles wat je altijd al had willen weten over de kunstacademie, maar nooit durfde te vragen. Vrouwonvriendelijk, smakelijk aanstootgevend, zwarte komedie, fruitige klucht, vol met jonge blaadjes.

We worden ermee opgevoed dat we iets moeten bereiken, iets waarop we trots kunnen zijn, iets wat je aan anderen kunt laten zien: kijk eens, ik doe ertoe, ik besta. Maar het kan ook anders, laat kunstacademiestudent Johnny Mooyman zien: als je het echt wilt kun je mislukken hoger inschatten dan succes. Het enige wat je moet doen is een paar maatregelen nemen die je onafhankelijkheid bevorderen. Het gaat pas goed fout met de held van dit tragikomische verhaal als hij dit principe van het zalige mislukken toe gaat passen op de liefde.

In Bevrijding draait alles om de frictie tussen wat de verhaalheld denkt, waarneemt en zegt. Het is vooral daardoor dat Willem du Gardijn erin geslaagd is een indrukwekkend evenwicht te vinden tussen tragisch en humoristisch, tussen banaal en verheven.

Ik ben zwaar onder de indruk van Bevrijding. Dit is het beste boek dat ik in tijden heb gelezen.’ Bert Natter
 

‘Vol invallen, raar en niet raar, “heel fijn en niet fijn”, onzinnig, schandelijk, diep triest en raar vrolijk.’ Kees ’t Hart in De Groene Amsterdammer

Bevrijding moet het hebben van zijn ondermijnende karakter en essayachtige observaties […] een goed geschreven guerrillaroman over kunst en ethiek.’ Daniëlle Serdijn in de Volkskrant

‘Je kunt lachen om de pretentieuze en aantoonbaar kromlullende docenten van Johnny. Je kunt je laven aan de royale beschrijvingen die Johnny geeft van de billen van Tess en je kunt ontroerd raken door de samenkomst van de krakers en de malle bewoners van de Willem Arntsz Hoeve.’ Sebastiaan de Kort in NRC Handelsblad

Tenzij we volkomen bevrijd worden houdt het zuigen gedurende ons leven nooit op. We beginnen met zuigen, zuigen daarna lekker door, tot we er dood bij neervallen. Veel mensen zullen denken: ik ben geen zuiger, ik ben een bijter, dit boek heeft met mij niets te maken, laat ik het aan de kant leggen. Toch, er zijn zoveel vormen van zuigen in dit verhaal dat er voor elke lezer (ook de bijtende of likkende) iets bij moet zitten. Je kunt zuigen van voren, zuigen van achteren, zuigen van boven, zuigen van onderen, figuratief zuigen, abstract zuigen, idealistisch zuigen, ga zo maar door. Zuigen is (oké, naast bijten en likken) een universeel verschijnsel, het komt voor waar mensen zijn. Maar er was één plek waar het allermeest gezogen werd en dat was mijn kunstacademie in de stad met de hoogste oude toren van Nederland. Niet alleen mijn docenten zogen, wij, mijn vrienden, m’n echte liefde en ik, zogen er ook goed op los. Nooit heb ik zo vaak mijn neus gewassen. 

Dit boek is een bekentenis, want hoe lekker zuigen ook is, het heeft zijn beperkingen. Je krijgt er blaren van op je lippen, je kunt er van binnen en buiten helemaal van ontstoken raken als je niet oppast. Ik ben op een bepaalde manier in mijn jaren op de academie behoorlijk ontstoken geweest, dat geef ik toe. De symptomen van de ontstekingen waren: stemmen, meteofobie, seksverslaving, kunstverslaving, nicotineverslaving, slaapstoornissen, jezusfantasieën, oneindige overdenkingen van de menselijke vergankelijkheid, vrouwen en mannen in sterfruimtes, of het nu in een kamer was op een verdieping van een grootstedelijk woningblok, in een kamp, in een gevangenis of in een kleine, benauwde ruimte van een haveloos hotel, overal stierven mensen en ik was er getuige van, al was ik in de meeste gevallen fysiek gesproken ver weg. 

Spijt heb ik niet van het zuigen en bijbehorende ontstekingen, een mens moet leven, dus leef. Ik kijk met plezier terug op een bijzondere periode van mijn bestaan die ik in de navolgende hoofdstukken zonder enige hoogmoedigheid zal pogen te kenschetsen. Een periode van ‘folie’, als ik het zo mag zeggen in het Frans. 

Dit hele schrijven doe ik niet voor lezers, niet voor u, want lezers zijn eigenwijs, net als ik eigenwijs ben. Ik weet zeker dat ik wel te horen krijg dat ik hoogmoedig ben. Nu, het zij zo. Lees mijn boek niet, is mijn aanbeveling, want lezen is geen lezen, althans niet zoals wij dat gewend zijn te denken. Lezen is projecteren, klaar, meer is het niet. 

Als iemand zou willen begrijpen wie ik, Johnny Mooij-
man, was of wilde zijn in die vroege zuigende jaren
negentig op mijn academie en in mijn kraakhuis op het terrein van psychiatrische kliniek de Willem Arntsz Hoeve, die zou zichzelf moeten vergeten en dat is onmogelijk. Zie hier de zinloosheid van de literatuur en dus de zinloosheid van deze hele onderneming. Wij zijn gedoemd voorafgaand aan elke ervaring reeds ideeën te hebben en deze ideeën, dat komt er nog bij, koesteren we als hulpeloze baby’s. De enigen die wij lezen als wij iemand anders lezen zijn wijzelf. Tegelijkertijd denk ik dat ik u toch bereiken kan, er is iets, ik heb iets en ik zal het delen.

Dat ik mezelf tegenspreek kan mij niets schelen, dat ik rechts of links zou zijn kan mij niets schelen, dat ik een fascist ben, een antisemiet, iemand met een anusfixatie, een moedercomplex, inferioriteitscomplex of een autoriteitsneurose, het kan mij niets schelen. Wat ik wil met dit manuscript is mijn hoofd leger maken, zodat ik gewoon genieten kan van de vogels en de bloemen en, ja, het weer. 

Ik ben ermee opgevoed mensen te bedanken als er iets gebeurd is wat van enig belang zou kunnen zijn. Ik geef maar toe aan die opvoeding, want ik ben de enige niet die opgevoed is. Elfriede Jelinek en Thomas Mann bedank ik voor de citaten, ze zijn afkomstig uit de zuigboeken Lust en Dr. Faustus. Ik heb een zinnetje gezogen uit John Lennon, Abbey Road, dank. Speciale dank is aan Roland Barthes, die mij met zijn mysterieuze Camera Lucida vele malen aan het werk gezet heeft. Heautoscopie is voor zover ik weet zijn vinding. Ik wil mijn oude docenten van de hoofdstedelijke schrijversvakschool bedanken, want dit boek over autoriteit en bevrijding van autoriteit zou niet mogelijk geweest zijn zonder dat zes maanden durende strafkamp. 

Ik wil mijn kunstacademiedocenten bedanken voor hun oneindig geduldige en subtiele wijze van begeleiden, ik heb werkelijk leren inzien wat kunst is, wat transformatie is en hoe een goed kunstwerk tot stand komt. Ik wil me verontschuldigen, indien dat nodig is, bij iedereen die van Anne Frank houdt, u moet zich goed realiseren dat ik dat ook doe, al zal mijn wens ergens in mijn kleine leventje samen met haar een treinreis te maken nooit bewaarheid worden.

Ik wil mij verontschuldigen bij iedereen die vindt dat ik het Hebreeuws als taal in diskrediet heb gebracht. Ik houd van Hebreeuws, alles in deze taal is prachtig, alles in deze taal is beladen, ik houd van beladenheid. Ik wil mijn verontschuldigingen maken bij alle vrouwen die van mening zijn dat ik de zoveelste man ben die afschuwelijk en zonder enig inlevingsvermogen over hun geslacht geschreven heeft. 

Ik maak mijn verontschuldigingen aan Yama die ik na die ene nacht nooit meer gezien heb. Een paar jaar geleden ben ik terug geweest in Parijs en heb naar haar gezocht. Ik wilde haar mijn afstudeervideo Japanse reet, een meesterwerk laten zien, maar vond haar niet. Ik heb navraag gedaan bij meerdere lieve vrolijke vrouwen op de rue Saint-Denis, niemand wist iets van een Japanse die Yama heette en een onbeschrijflijk mooi achterwerk had.

Ik verontschuldig me bij Sofie Heerschop om de lelijke dingen die ik over haar kont gezegd heb. Ik verontschuldig me bij Roland Lips omdat ik hem als seksistische gek heb afgeschilderd, een projectie uiteraard. Ik wil hem (ondanks alles) bedanken voor ‘de theorie van extreme werelden’, waarin mislukken hoger wordt aangeslagen dan succes. Door hem kan ik de vraag stellen of dit manuscript de belichaming geworden is van het echec dat hij mij heeft aanbevolen.

Om dit te beoordelen heb ik het manuscript herlezen. Ik ben er zesenhalf uur mee bezig geweest. Het resultaat is onder andere dit nawoord, een nawoord waarmee ik begin, louter en alleen om eigenwijs te zijn. Tot mijn tevredenheid kan ik zeggen dat ik ontevreden ben, het boek is in meerdere opzichten geen succes, prachtig. De compositie is niet goed, er is te weinig eenheid in de tekst, de stijl laat te wensen over en dit is wat mij betreft allemaal prima, want mijn hoofd is ook slecht gecomponeerd, van eenheid is in mijn persoonlijkheid geen sprake en ik wantrouw stijlen, zeker stijlen die niet van onder de gordel zijn. 

Toch is er een reden waarom ik echt ontevreden ben, dwars tegen alle aanbevelingen van Roland Lips en mijn ideeën over de zinloosheid van het schrijfbedrijf in: ik heb in dit pestboek geen recht gedaan aan de liefde die ik voelde voor Tess Stockhuyzen. Maar ik ga niets veranderen, ik wil geen nieuw keurslijf, het is klaar, dit is wat het is, geschreven in opdracht van dr. Schwartz, mijn geestelijk leider, die honderdtwintig euro per uur vraagt en met zijn nare vragen op zijn nare stoeltje achter zijn nare glazen tafel wat mij betreft de duivel zelve is. Niemand is erger dan iemand die ten onrechte meent een ander te begrijpen en daar ook nog conclusies aan verbindt en geld voor vraagt.

Ik ben hard geweest, te hard, dat is de kern van mijn bezwaar, te hard voor haar en te hard voor mijzelf, hoewel alles wat ik beschrijf waarlijk gebeurd is, voor zover iets waarlijk kan gebeuren als er een algemene maatstaf ontbreekt, behalve dan die van onze eigen kortzichtigheid. We woonden samen in een kraakhuis met de naam Jeltje, een prachtig onder architectuur gebouwd paviljoen, ze rookte te veel, ze had een anusgewei, ze ging weg met die taxi’s, ze heeft in de modder gelegen, ik heb haar getrapt, ik heb haar naar de concentratiekampen gevraagd.

Ik denk niet dat hardheid de oorspronkelijke reden is waarom ik ben gaan schrijven, eerder het tegendeel, zie hier mijn hypocrisie. Ik heb niet alleen willen schrijven om mijn hoofd leger te maken. Ik vermoed dat ergens in de diepte van mijn persoonlijkheid (dit zal met die opvoeding te maken hebben) toch de wens leeft als een lief mens over te komen, iemand die lief kan hebben, zoals u dat kunt. 

Het komt hierop neer: ik wilde de liefde voor Tess tot in het falen bevorderen, omdat ik dacht dat we daar, midden in die mislukking, het dichtst bij elkaar konden zijn, maar ik heb dat niet gedaan, ik heb het niet kunnen doen, het is mij niet gelukt, het is mislukt, de mislukking is mislukt. De enige tegemoetkoming die ik kan bedenken na het schrijven van dit manuscript is dat ik jou, Tess, nog één keer mijn ware gevoelens verklaar: Tess, ik hou van jou, mijn boek is voor jou, ik hoop dat jij het lezen wilt, jij bent de vrouw die de liefde kan geven waar een man zijn hele leven mee vooruit kan. 

Ik ben klaar, ik ben uitgesproken, ik zal nooit meer schrijven, omdat schrijven net als alle andere vormen van kunst iets verschrikkelijks is, bovendien schiet je er niets mee op, je kunt net zo goed je arm amputeren. Dit inzicht is wat ik noem mijn bevrijding. Nogmaals (want ik heb de indruk dat u mij niet gelooft), ik zweer bij dezen: u bent van mij af, ik ben er klaar mee. Tweemaal over bevrijding schrijven is onzin, zoals het onzin is iemand voor een misdaad tweemaal te bestraffen. Elk mens heeft één oorlog en kan één keer bevrijd worden.

Paperback met flappen, 224 blz.
Prijs: € 18,50
ISBN: 978 94 92313 08 9
Verschenen maart 2016

Willem du Gardijn