Lou is een eenzame bibliothecaris die haar dagen doorbrengt in de stoffige archieven van het Historisch Instituut. Wanneer zich de mogelijkheid voordoet, grijpt ze haar kans om naar een afgelegen eiland in Noord-Ontario te reizen, waar ze de zomer door zal brengen met het catalogiseren van een bibliotheek die toebehoorde aan een excentrieke negentiende-eeuwse kolonel. In haar ijver om de eigenaardige geschiedenis van het landgoed te onderzoeken, ontdekt ze tot haar schrik dat het eiland één andere bewoner heeft: een beer. 

Lou’s verbeelding wordt al snel in beslag genomen door de vroegere bewoners van het eiland, wier diepe fascinatie met beren ze geleidelijk aan overneemt. Lou wordt onweerstaanbaar langs een pad van emotionele en seksuele zelfontplooiing geleid, terwijl ze de grenzen van haar eigen dierlijke natuur opzoekt. Wat ze ontdekt zal haar leven voorgoed veranderen. 

Beer is nog even provocatief en krachtig als toen het voor het eerst werd gepubliceerd.

Marian Engel werd in 1933 geboren in Toronto in Canada. Ze groeide op in de stadjes Brantford, Galt, Hamilton en Sarnia. Na een aantal jaar in de Verenigde Staten en Europa gedoceerd te hebben, keerde ze in 1964 terug naar Toronto, waar ze de rest van haar leven is gebleven. Marian Engel stierf in 1985.

De Standaard (*****): ‘Echt leven, hoe doe je dat? Dat lijkt de centrale vraag te zijn in het fonkelende, meerstemmige Beer van de Canadese Marian Engel.’

De Volkskrant (*****): ‘Hoe je Marian Engels Beer ook interpreteert, het boek is een meesterstuk’ 

Het Parool: ‘Beer is een ­origineel, ontroerend en verrijkend verhaal over de liefde tussen mens en dier, over intellectualiteit versus seksualiteit. Midas Dekkers schreef in Lief dier (1994) over de in wezen vreemde veroordeling van bestialiteit, want vaak wordt er bij die gevoelens van lust tussen mens en dier helemaal geen schade of leed berokkend. Wat in het geding komt, zijn onze gevoelens van preutsheid. Engel doorbreekt dit taboe.’

NRC Handelsblad (****): ‘’Wie is het dier? Wie heeft de macht? En de liefde – wanneer is die eerlijk? Geen antwoord zoeken nu, gewoon lezen in vermoedelijk een van de mafste boeken van het moment. En vooral niet, zoals de recensent van dienst, uit nieuwsgierigheid even opzoeken hoe zo’n berentong er eigenlijk uitziet.’ 

De Groene: ‘Het voelt een beetje als valsspelen om de wonderbaarlijke, mysterieuze roman Beer die de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985) in 1976 publiceerde, zo sekserig te benaderen. Maar juist omdat de hele entourage die rond de hoofdpersoon wordt opgetrokken zo enorm boekig is, droog en geïsoleerd, komt die beer nogal indrukwekkend binnen denderen. Het is bijna onmogelijk om deze compacte roman níet te lezen als een metaforisch verhaal over opsluiting versus bevrijding, mannelijke versus vrouwelijke seksualiteit, een soort ‘bear in the barn’ zoals je ook ‘the madwoman in the attic’ hebt als archetype voor vrouwelijke onderdrukte lust, verwijzend naar Jane Eyre.’ 

Een vreemd en heerlijk boek.’ Margaret Atwood 

‘Een verdomd goed boek; het is zelfs de beste Canadese roman aller tijden.’ National Post

‘Canada’s Lolita of Lady Chatterley’s Lover.Globe and Mail

‘Taboedoorbrekend pareltje.’ HUMO

‘Lyrisch, strijdbaar en ironisch. Mysterieus en multi-interpretabel.’ VPRO Gids

Op 15 mei laadde ze archiefmappen, papier, cataloguskaarten, schriften en een typemachine in haar auto. Ze had haar oude kampeerspullen opgedolven – mottige wollen jacks, wandelschoenen, een slaapzak uit haar jeugd. De directeur reikte haar als afscheid de hand en deinsde terug voor de geur van mottenballen.

‘Je moet een zekere Homer Campbell hebben. Neem bij Fisher’s Falls de afslag van Highway 17 en volg dan de provinciale weg nummer 6 naar een dorp dat Brady heet. Dan moet je bij het kruispunt links en de rivier volgen tot je bij de jachthaven van Campbell komt. Homer zorgt voor een boot en brengt je naar het eiland. Ik heb hem gisteren gesproken. Hij zegt dat hij een volle propaantank heeft aangesloten en iemand het huis voor je heeft laten schoonmaken.’

De weg liep naar het noorden. Zij volgde die. Er was een Rubico bij de waterscheiding. Toen ze daar overheen was begon ze zich vrij te voelen. Vol gas reed ze naar het noordelijke hoogland, licht in haar hoofd.

Uit de door de notarissen opgestelde inventaris van het huis en de bijgebouwen bleek dat ze weinig spullen nodig zou hebben. Het huis was geen blokhut. Het had zes vertrekken, waarvan één de bibliotheek was. Er stonden veel banken, veel tafels, veel stoelen. Ze zag hun gespreide poten voor zich zoals ze op de lijst stonden. Ze had het gevoel dat het er heel aangenaam zou zijn.

Het land zinderde van pril groen. Op de overtocht over de baai stond ze te bibberen op het dek van het autoveer dat de verbinding vormde tussen de delen van de onderbroken krijtsteenboog van eilanden. Meeuwen zwenkten door de lucht en in de verte klonk een misthoorn. Ze passeerde een groot eiland, waar ze haar hele leven al graag had willen wonen, en een klein eiland, waar het volgens de indianen zou spoken en waar ze als kind een keer mee naartoe was genomen. Ze wist nog dat ze er met een grote motorboot naartoe was gevaren, aan land was gegaan, paden had ontdekt in de schaduw van gifsumakplanten die boven haar uit staken. Haar ouders zochten naar franjegentiaan en parnassia. Terwijl zij op zoek gingen was ze zelf gebiologeerd door het skelet van de grootste waterjuffer ter wereld, gevangen in een spinnenweb in het raam van een blokhut, leeggezogen.

Onschuldig dreven kleine eilandjes op de golven, op de schommeling van belboeien.

Er waren weinig passagiers aan boord in deze tijd van het jaar: een paar jagers, een stel indianen in fuchsiarode ski-jacks, een ouder echtpaar, dat boven aan de kajuittrap zij aan zij zat te lezen. Een Franssprekend gezin in nieuwe, pastelkleurige vrijetijdskleren. De traditie dat alles voor in de natuur groezelig, pluizig en veertig jaar oud moest zijn was blijkbaar verloren gegaan, behalve bij haar. Ze dacht aan een man die ze kende en die zei dat je tegenwoordig geen vrouw meer kon vinden die puur naar zichzelf rook.

Het schemerde al bijna toen ze de veerhaven binnenvoeren. Het stond haar nog helder voor de geest dat ze hier al eens was geweest. Ze herinnerde zich een strand, een zilverkleurig meer, iets verdrietigs dat er gebeurde. Iets, ja, dat gebeurde toen ze nog heel klein was, een verlies. Ze vond het vreemd dat ze nooit meer naar deze streek was teruggegaan.

Terwijl ze wachtte tot haar auto van de boot werd gereden keek ze naar de indianen die in een nieuwe witte bestelwagen stapten.

Het was al te laat om nog voor het donker bij de jachthaven te komen, want de tocht met de veerboot was zoals gewoonlijk tijdrovend. Ze nam een kamer in een motel aan een verlaten strand, lummelde de hele avond langs het water en luisterde naar de vogels.

‘Ik heb het vreemde gevoel,’ schreef ze op een ansichtkaart voor de directeur, ‘herboren te zijn.’ 

Toen ze de volgende ochtend van het eiland vertrok voelde ze haar hart opspringen bij het zien van de kale stenige bergen van Algoma. Waar heb ik gezeten, vroeg ze zich af. Is een leven dat nu als een afwezigheid kan worden beschouwd wel een leven? 

Want bepaalde dingen waren niet goed voor haar gegaan. Ze kon geen specifiek probleem noemen; het was meer alsof het leven in het algemeen de pik op haar had. Alles kleurde altijd weer grijs. Hoewel ze aanvankelijk had genoten van de erudiete afzondering die haar werk bood, naast bescherming tegen de vulgariteit van de wereld, had ze nu, na vijf jaar, het gevoel dat ze er op een bepaalde manier onevenredig veel ouder door was geworden, dat ze net zo oud was als de vergeelde documenten die ze de hele dag maar openvouwde. Wanneer ze zo af en toe uit het verleden opkeek en het heden in ogenschouw nam, verdween het uit haar gezichtsveld en werd het zo vluchtig al een luchtspiegeling. Hoewel ze dit had besproken met de directeur, die haar gemoedstoestand had afgedaan als beroepskwaal, was ze er nog steeds niet van overtuigd dat dit de manier was waarop het enige leven dat haar was toebedeeld moest worden geleefd.

Het was al laat toen ze bij de jachthaven parkeerde. Ze liep de winkel van gasbetonblokken in en vroeg naar Homer Campbell. De winkelier, die een rond gezicht had, erkende dat hij dat was.

‘U bent zeker de dame van het instituut, waar meneer Dickson al over schreef,’ zei hij. ‘Dat hebt u vlot gedaan. We kunnen vanavond naar de overkant.’ Hij riep zijn zoon en begon meteen haar auto uit te laden. Toen ze een beetje begon te sputteren over de typemachine, wierp hij haar een meewarige blik toe.

Hij was van middelbare leeftijd en opgewekt. Zijn zoon Sim had lichte ogen en lichtblond haar; hij was een schim, een albino, die zwijgend de voor haar klaarstaande dozen levensmiddelen in een tweede motorboot laadde. Hij praatte kirrend en klokkend tegen zijn zoon, als tegen een dier. De zoon had grote voeten en was verlegen en traag: vijftien, veertien oordeelde ze. 

Ze vond het lastig om in de motorboot plaats te nemen: het was alsof ze niet meer wist hoe ze haar ledematen moest buigen. Homer wilde haar voordoen hoe ze de motor moest starten, maar ze was te afwezig.

Ze had de zeekaarten aandachtig bekeken. Ze wist dat Cary’s Island een paar mijl stroomopwaarts lag in de riviermonding vol riet die ze nu binnenvoeren. Op de kaart oogde het veelbelovend, maar ze wist al dat de kolonel geen rekening had gehouden met het feit dat de rivier, ondanks de brede monding, landinwaarts versmalde tot een stroompje, waardoor zijn moerassige toevluchtsoord geïsoleerder lag dan een cartograaf redelijkerwijs mocht verwachten. Zijn zaagmolen was mislukt, had ze gelezen, doordat de sierlijke, Engels ogende rivier maar net genoeg water aanvoerde om het rad één dag per week te laten draaien. 

Homer praatte luidkeels tegen haar boven het motorgeronk uit. Hij leek een spraakzame man. Ze was meer geïnteresseerd in de magische vormen om haar heen, hoe rotsige ruigheid snel overging in zand en berken, hoe op eilanden, niet groter dan een zandbank, oude groene huizen met gesloten luiken prijkten die er in deze tijd van het jaar eenzaam en verlaten uitzagen. In dit land, dacht ze, hebben we een winterleven en een zomerleven die totaal van elkaar verschillen. 

Ze gleden over het frisse vaarwater, met Sim in een zilverkleurig bootje in hun kielzog. 

‘U zit niet zo heel afgelegen,’ schreeuwde Homer. ‘Maar u moet wel zorgen dat er brandstof in de tank zit voor het geval u hulp nodig hebt. Weinig kans dat u in deze tijd van het jaar last krijgt van onweer, maar u kan altijd blikseminslag krijgen of een zere keel of zo. Joe King woont daarginds wanneer hij ’s winters zijn route met vallen heeft uitgezet, en zijn tante, mevrouw Leroy, dat is een ouwe indiaanse, die zit met haar nicht op Neebish, dus u krijgt geen onverwachts bezoek.

Er zijn een houtfornuis en een gasfornuis en een paar open haarden. Vroeger hadden ze een losse kachel, maar die heb ik met Joe weggehaald, die was verrekt gevaarlijk. Joe heeft de houtvoorraad aangevuld, de oude vrouw heeft alles voor u aangeveegd, u kan er een lekker lui leventje leiden. Als ze terugkomt herkent u haar wel. Ze is zo oud als de bergen en heeft geen tand meer in haar mond.’ 

Het was een oude boot van cederfineer, maar de buitenboordmotor was nieuw. Homer verzekerde haar dat hij minder zou lekken als hij eenmaal een tijdje in het water had gelegen. Er lag een kano in het botenhuis; hij wist niet in wat voor staat die verkeerde. Hij had een lichte motor van hemzelf aan de boot bevestigd omdat hij dacht dat ze vast niet de grote twintig pk-motor naar het huis zou willen sjouwen als er slecht weer kwam. Het belangrijkste was ervoor te zorgen dat de boot schoon en droog bleef en de tank vol was.

Er klonk een immense misthoorn. Onwillekeurig schrok ze op. Homer moest lachen. ‘Klinkt alsof er een koe in je oor staat te loeien, hè? Het scheepvaartkanaal ligt maar een kilometer of zes, zeven van uw huis, aan de andere kant. Het wordt een goed jaar. De rivier is al vroeg bevaarbaar.’ 

Deze stille, woekerende oever was dus het eiland van Cary. Zegge aan de waterkant, naamloze stenen en bomen erachter. ‘Daar is de kaap. We varen er straks omheen.’ Homers stem had een liefdevolle ondertoon, alsof hij van het eiland hield. Hij keek naar haar, en keek weg. 

Toen ze voorbij de bocht in de rivier waren wees hij, en ze zag het huis wit oprijzen tegen de donker wordende lucht. Ze hield haar adem in en wachtte; en toen ze de steiger naderden zag ze dat het klopte wat ze al dacht: het huis was een klassiek voorbeeld van Fowlers achthoek.

‘Wow,’ zei ze.

‘Niet slecht, hè?’

‘Het wordt niet in de architectuurboeken vermeld. Er bestaat een lijst van dat soort huizen.’ 

‘Ja, we zijn nogal behoedzaam hier in het noorden. Iemand die niet met een boot rondtoert zou nooit achter het bestaan van dit huis komen; en wij houden ons mond. We laten alle toeristen naar dat ene huis koekeloeren waar Longfellow dat ndiaanse gedicht zou hebben geschreven, verderop aan de hoofdrivier. Dit huis is zo’n beetje vergeten, en dat vinden we hier wel best. Juweeltje, hè? Wacht maar tot u een keer op een juliochtend in uw eentje de rivier op komt. Heel speciaal. Pak het touw, Sim.’ 

Ze legden aan een kleine steiger aan, en Sim en Homer hadden de boot al half uitgeladen voordat zij goed en wel overeind stond. 

‘De familie was witheet toen het aan jullie club werd nagelaten,’ vervolgde Homer. ‘Die wilden het hele eiland opsplitsen in perceeltjes voor vakantiehuisjes. Mag niet meer van de regering. Zo, kom mee, dan laat ik het vanbinnen zien.’ 

Wankelend onder het gewicht van haar koffers liep ze achter Homer aan de helling op, en toen over een breed groen grasveld (‘Dat zal onze Sim wel voor je maaien’) naar de veranda van het huis. 

‘Hopelijk kunt u zonder elektrisch licht,’ zei Homer. ‘Er zijn wel een stel gaslampen, maar die geven niet al te veel licht. U zal voor het raam moeten werken. Maar goed, ramen genoeg.’

Ze stond naar het huis te staren en liet zijn woorden aan haar voorbijgaan. Het had een vriendelijk voorkomen in de schemering. De brede veranda’s maakten de benedenramen donker. Hoge bomen bogen zich eroverheen.

‘Suikerberken,’ zei Homer. ‘Het bijzondere van die bomen is dat het op hete dagen in augustus daaronder altijd koeler blijft.’ 

‘Ik weet niet of ik hier tot augustus blijf,’ mompelde ze.

‘Niemand is hier ooit weggegaan als het niet hoefde. Die kleindochter in Cleveland had er alles voor over gehad. Heeft goudgeld uitgegeven om te voorkomen dat het naar jullie club ging. Hierzo, ik heb de sleutels.’ 

Het was zo lang geleden dat ze een lange getande huissleutel had gezien dat ze niet meer wist hoe zoiets heette.

‘Voordat de sneeuwscooters kwamen hoefde de deur nooit op slot,’ zei Homer. ‘Je hebt voordelen en je hebt nadelen.’ Hun voetstappen klonken hol op de verandaplanken. 

Homer deed de voordeur open. Ze ging naar binnen en zette haar bagage in de hal neer. Om haar heen waren deuren en ramen. Voor haar bevond zich een brede trap die naar de bovenverdieping ging.

De geur van kachelolie. De geur van muizen. De geur van stof (het laatste zonlicht dat schuin door smalle oude ruitjes viel). Homer stond bijna vergoelijkend naast haar, zoekend naar haar goedkeurende glimlach. Ze keek langs de trap omhoog, naar links, naar rechts, en snoof. Nog een geur, muskusachtig, ondefinieerbaar maar aangenaam. Homer liep naar een deur rechts, deed die open en zette haar grote typemachine op een tafel in een schemerdonkere kamer. De jongen kwam binnen met de plunjezakken. Pats. Bam. Hij liep terug om de andere te halen.

‘Zulke huizen zijn bijna rond,’ zei Homer. ‘Kom maar mee, dan laat ik de rest zien. Weet u hoe u een petroleumlamp moet aansteken?’

‘Natuurlijk.’

‘Laat zien dan.’ Aan het plafond van de kamer waarin ze stond hing een sierlijke melkglazen lamp, maar van ergens anders haalde Homer een blikken lantaarn, zo een als spoorwachters hadden. Ze stak hem aan, en de kamer sprong tevoorschijn in een schijnsel vol sofa’s en krompotige tafeltjes, plantenpedestals en dode varens. ‘De keuken zal u meer interesseren. Die is daar. Weet u nog de regelschuiven van een houtfornuis?’

‘Nee.’

‘Na de rondleiding laat ik wel zien hoe het werkt. U hebt ze ’s morgens nodig voor de warmte. Het kan hier nog steeds gaan sneeuwen, ziet u.’

De keuken besloeg maar één vak van de achthoek, in tegenstelling tot de salon die uit twee vakken bestond. Naast het houtfornuis stond een modern fornuis op propaan, verder waren er een keukenmachine en een zinken gootsteen met een pomp.

‘Buiten is er een betere,’ zei Homer. ‘Bij deze hebben we altijd problemen met de leertjes. De ruimte hiernaast is een soort combinatie van houtopslag en gang, die uitkomt bij de echte houtschuur. Daar is een achtertuin met een achterhuis. Lucy heeft mooi schoongemaakt, hè? En dit is de ouderslaapkamer, of hoe heet het. Het bed ziet er wat doorgezakt uit. Ze heeft alvast hout klaargelegd voor het vuur. Wacht, ik zal het even voor u aansteken, dan laat ik u daarna achter het huis zien waar alles is. We nemen de voordeur en lopen dan om. De treden achter zijn ’s avonds verraderlijk.’

Het was al een stuk donkerder en de lucht was vochtig en kil. Ze rilde toen ze achter Homer aan om de zuidkant van het huis liep, waar hij haar de buitenpomp met zijn lange zwengel wees, en de wc die in een van de schuurtjes in de achtertuin zat. Het was een tweezitter en geamuseerd merkte ze op dat de kleppen bestonden uit ouderwetse emaillen straatlampreflectoren waarvan de rand net zo was geschulpt als een pasteikorst.

Ze maakte aanstalten om weer naar binnen te gaan, want het was donker, ze had het koud en was moe, maar Homer stond haar beschroomd aan te kijken en schuifelde met zijn voeten. Ze vroeg zich af of hij haar ging aanraken of beschuldigen. Ze wilde naar binnen en zich installeren. Het was een lange dag geweest; ze had veel om over na te denken. Ze was ongeduldig.

‘Heeft er ook iemand iets gezegd,’ vroeg hij, ‘over de beer?’

Marian Engel, Beer
Paperback met flappen, 144 blz.
€17,50
ISBN 9789492313997
Vertaald door Barbara de Lange
Verschijnt 8 april 2021

Marian Engel

Marjan Engel - Uitgeverij Koppernik
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.