‘Ik geloof dat er een wonder gebeurt in Wanda,’ schreef Marguerite Duras over de enige film die de Amerikaanse actrice Barbara Loden ooit schreef en regisseerde. ‘Normaal gesproken is er een afstand tussen uitbeelding en tekst, onderwerp en handeling. Hier is die afstand compleet uitgewist.’ Misschien komt het door dit ‘wonder’ – het schijnbaar verdwenen onderscheid tussen fictie en
feit – dat Wanda (1970) een cultklassieker is geworden en dat kunstenaars als Isabelle Huppert, Rachel Kushner en Kate Zambreno erdoor gefascineerd zijn. Voor de schrijfster Nathalie Léger vormden de mysterieën van Wanda het begin van een obsessieve zoektocht door continenten, in archieven, en door de mijnstadjes van Pennsylvania – allemaal om dichter bij de film en degene die hem gemaakt had te komen.

Aanvulling op het leven van Barbara Loden, dat zich ergens tussen biografie en autobiografie, filmkritiek en anekdotiek in bevindt, is een schitterende beschouwing over kennis en zelfkennis, over leven en kunst, over waarheid en verbeelding.

Oorspronkelijke titel Supplément à la vie de Barbara Loden

‘Een briljant boekje.’ Valeria Luiselli

‘Inventief en aangrijpend, het voert zowel de roman als de biografie naar nieuwe en interessante plekken.’ Eimear McBride

‘Een opmerkelijk boek dat alles in zich heeft: biografie, kritiek, filmgeschiedenis, memoire en zelfs fictie…’ The New Yorker

‘Een prachtig en intiem gemengd portret van Loden, Wanda en Léger.’ Small Press Book Review

‘Een aangrijpende, subtiele roman over de noodzaak te creëren.’ Le Monde

‘En juweeltje. […] een krachting voorbeeld van hoe samenvatting, beschreven vanuit het meest persoonlijke perpectief, een vorm van kunst kan zijn.’ Harper’s Magazine

Van veraf lijkt het een vrouw die zich uit het donker losmaakt. Of het inderdaad een vrouw is valt niet goed te zien, daarvoor is de afstand te groot. Tegen een achtergrond van puinbergen loopt een klein wit figuurtje, welhaast een vlekje in de donkere uitgestrektheid, kalm en ongehinderd tussen massa’s hoge gruisheuvels, tussen grote storthopen van afvalgesteente, steengaten, modderige hellingen waar kiepwagens weghalen wat wordt afgegraven. In een groothoekopname volg je dit minieme heldere figuurtje dat vastberaden zijn weg gaat langs de horizon die aan het zicht onttrokken is. Nu en dan vervaagt het door het stof en lost het op, terwijl het onverstoorbaar doorloopt, een ogenblik lang oplicht, dan weer niet meer dan een wazige veeg is, troebel bijna, om vervolgens weer doorzichtig te lijken, als een lichtgaatje in een foto, een blinde vlek in het geruïneerde landschap. Ja, het is een vrouw.

 

Eerder heb je haar achter in een lege autobus zien zitten, ze keek naar buiten zonder iets waar te nemen, en je hoorde haar naam, twee keer achter elkaar, bijna alsof die werd uitgestoten, Wanda, Wanda, door een mannenstem die over het verhaal een stomme, ongeruste vraag legt, deze ene, enige keer dat hij haar naam uitspreekt.

 

Je bent het huis binnengegaan, je kreeg een paar schamel gemeubileerde kamers te zien, rondslingerende spullen, een oude vrouw die achterin zat met een rozenkrans in haar handen en met een flets gezicht in het bleke en stoffige licht, met haar blik aldoor gericht op iets wat lang geleden verdween. Je zwenkt ietsje, een kind draait om haar heen. Je zwenkt nog wat meer en ziet de rug van een vrouw in een nachthemd, met haar warrige haar opgestoken, met moede schouders, de hoofdpersoon, denk je. Je neemt wat afstand, ziet een baby zitten krijsen op een bed. Je glipt de schaars verlichte keuken in, zij heeft het kind in haar armen genomen, je vraagt je af waar ze de melk zal pakken, haar bewegingen zijn traag, ze zucht, ze trekt de koelkast open, schuift wat dingen opzij en probeert lusteloos het huilen te kalmeren. Er verschijnt een man, ongetwijfeld de vader, hij loopt langs en dan korzelig weg, je volgt hem, de deur slaat dicht en op dat moment valt je oog op een lichaam onder een laken, een blonde vrouw van rond de dertig die traag overeind komt, op de vloer voor de sofa liggen krulspelden en lege blikjes, ze gaat zitten, slaapdronken nog, hij is kwaad omdat ik er ben, ze kijkt uit het raam, de horizon is tot aan de hemel aan het zicht onttrokken, de kiepwagens manoeuvreren door het stof. Dat is haar, dit is Wanda.

 

Het verhaal van deze vrouw wordt verteld door de Amerikaanse actrice en filmregisseuse Barbara Loden in Wanda, een film uit 1970, de enige die ze ooit heeft gemaakt, en waarin ze zelf de hoofdrol speelt. Barbara Loden ís Wanda, zoals dat in de filmwereld heet. Bij het schrijven van het scenario was ze uitgegaan van een krantenbericht uit die tijd. Een vrouw was veroordeeld voor een bankoverval, haar medeplichtige was dood, ze had in haar eentje voor het gerecht moeten verschijnen. Toen ze tot twintig jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, bedankte ze de rechter. In de vraaggesprekken met journalisten na de première van haar film en in het bijzonder toen ze de prijs van de kritiek op het filmfestival van Venetië in 1970 had gekregen, verklaarde Barbara Loden meer dan eens dat het verhaal van die vrouw haar diep had geraakt: wat een pijn, wat een hopeloosheid om een leven te moeten leiden dat je ernaar doet verlangen te worden opgesloten, hoe kun je troost putten uit gevangenschap?

 

Een vrouw komt tevoorschijn onder de vouwen van een groezelig laken, ze is tegen haar zin wakker geworden, ze komt alleen maar overeind om weg te zinken in de onverzettelijke diepte van het bestaan – waar heeft ze van gedroomd? Van stralende gezichten, van de ordelijke rust in een kamer, van een gebaar van herkenning dat eindeloos herhaald werd? Ze gaat rechtop zitten, verdwaasd. Alles wijkt, alles ontsnapt haar, vanaf nu kan ze alleen maar tussen schimmen dolen.

 

Het leek simpel. Ik hoefde alleen maar een korte notitie, een lemma voor in een filmlexicon te schrijven. Maak er niet te veel werk van, had de redacteur aan de telefoon tegen me gezegd. Maar ik wist wat me te doen stond. Ik vond dat je om het kort te kunnen houden juist veel moest weten en stortte me op de geschiedenis van de Verenigde Staten, nam de ontwikkeling door van het zelfportret vanaf de klassieke oudheid tot heden, ik legde me toe op de sociologie van de vrouw tussen 1950 en 1970, nieuwsgierig raadpleegde ik encyclopedieën, lexicons en biografieën, ik verzamelde informatie over de cinéma vérité, over artistieke avant-gardes, de theaterscene van New York, de Poolse emigratie naar de Verenigde Staten, ik verrichtte uitvoerig onderzoek naar de kolenmijnbouw (ik heb rapporten over de exploitatie doorgenomen, het een en ander uitgezocht over de sociale organisatie van de beroepsgroepen in de mijnbouw, informatie ingewonnen over de kolenbassins in Pennsylvania), ik wist alles wat je zou kunnen weten over de uitvinding van de krulspeld en de opkomst van de pin-up aan het einde van de oorlog. Ik had het gevoel dat ik een enorme bouwplaats beheerde waar ik een miniatuurmodel van de moderniteit zou kunnen construeren, teruggebracht tot zijn meest basale constellatie: een vrouw die haar eigen verhaal vertelt door middel van dat van een andere vrouw.

 

Waar gaat dat verhaal over? had mijn moeder me gevraagd. Ze had die vraag gesteld om belangstellend over te komen en aardig voor me te zijn, maar in feite interesseerde het haar niet, ze wilde liever weer gewone verhalen over gewone levens, anekdotes, gebabbel, voor haar veel aansprekender, een overleden neef, een kwakkelende vriendin, een doodziek kind, en ze had die vraag amper gesteld of mijn geest werd leeg, een mist verbreidde zich, onwetendheid, alles wat helder en duidelijk was geweest, leek op slag totaal onsamenhangend in de beangstigende weerklanken van de geluiden om ons heen, terwijl zij haar lepeltje werktuiglijk ronddraaide in haar praktisch lege koffiekopje en een antwoord verwachtte. Het is het verhaal van een vrouw die alleen is. Aha. Het verhaal van een vrouw. Ja, en? Het verhaal van een vrouw die iets belangrijks is kwijtgeraakt zonder precies te weten wat, kinderen, een echtgenoot, haar leven, misschien nog iets anders, je weet niet wat, een vrouw die haar man verlaat, haar kinderen, die met iets breekt maar zonder geweld, zonder voorbedachten rade, misschien zelfs zonder te willen breken. En? En niets. Er gebeurt niets? Niet echt, dat wil zeggen, ze ontmoet een man, gaat hem achterna, hecht zich aan hem hoewel hij haar slecht behandelt, misschien wel omdat hij haar slecht behandelt, dat is niet duidelijk, in elk geval blijft ze, is ze er, ze blijft. Oké. Hij is van plan een bank te overvallen, maar zijn beoogde handlanger laat hem in de steek en hij dwingt haar om zijn plaats in te nemen – maar daar gaat het niet om. De zaak loopt fout af, hij komt om – maar daar gaat het niet om. Er ontstond een stilte tussen ons. Ik wachtte erop dat zij me zou vragen waar het dan wél om ging, maar dat deed ze niet.

 

Iemand die Barbara Loden goed gekend had vertelde me dit: ‘Ze zei dat het makkelijk was om avant-gardistisch te zijn, maar dat het echt moeilijk was om een eenvoudig verhaal goed te vertellen.’

 

De horizon is tot aan de hemel aan het zicht onttrokken en de kiepwagens manoeuvreren tussen de steenbergen. Wanda is op weg naar de rechtbank. Dat blijkt naderhand. Een bakbeest van een Amerikaanse wagen komt hotsend door het stof aangereden. Het zijn haar man en de kinderen, ze zijn zonder haar op weg – maar dat blijkt pas naderhand. Zij loopt door een veenderij, ze draagt een licht gekleurde broek en een bloes met gespikkeld bloemetjesmotief, grote krulspelden onder een witte hoofddoek, en een handtas van vinyl. Een oude man staat gebukt op een zwarte helling stukken steenkool te rapen. Ben je weer kolen aan het rapen?Ja, ik raap weer kolen, Wanda. Hij zegt het met een oude trage stem, zwakjes, vriendelijk. Hij komt de helling af, wankelend over de grote stukken steenkool. Ze vraagt hem om wat geld. Hij gaat zitten, puffend, pakt met zijn grote, droge, trillende handen een paar biljetten en geeft die aan haar, ik doe alles wat ik maar voor je kan doen.

 

Al vertellend moest ik aan Georges Perec denken: ‘Om te beginnen kun je proberen zaken te benoemen, een voor een, feitelijk, ze opsommen, ze optellen, zo sec mogelijk, zo precies mogelijk, waarbij je probeert niets over te slaan.’

 

Barbara Loden werd geboren in 1932, zes jaar na Marilyn Monroe, twee jaar voor mijn moeder, in hetzelfde jaar als Elizabeth Taylor, Delphine Seyrig en Sylvia Plath. Ze was achtendertig toen ze in 1970 Wanda maakte en erin acteerde. Ze was de tweede echtgenote van Elia Kazan. Ze speelde in Wild River en Splendor in the Grass. Ze zou ook in The Swimmer met Burt Lancaster hebben moeten spelen, maar Janice Rule kreeg die rol. Ze zou ook in The Arrangement met Kirk Douglas hebben moeten spelen, maar Faye Dunaway kreeg haar rol. Ze overleed op haar achtenveertigste aan uitgezaaide kanker. Wanda was haar eerste en haar laatste film. Wat verder nog? Hoe haar te beschrijven, hoe iemand durven te beschrijven die je niet kent? Je leest getuigenissen, je bekijkt foto’s, je eigent je een vreemd gezicht toe, ontrukt het even aan de vergetelheid. Ik zocht naar de beschrijving van Swinburne door Sebald, bladerde vlug door het boek om die te vinden: ‘Hij was klein van gestalte en was in elk stadium van zijn groei ver achtergebleven bij de normale lengte, met een extreem tenger postuur, al als jongen had hij een onwaarschijnlijk, om niet te zeggen buitenproportioneel groot hoofd op zijn smalle schouders, die zwak afhingen van zijn hals.’ Emily Dickinson die een jonge literatuurstudente beschreef: ‘Ze had bruin haar en grijze ogen, die soms, ook wanneer ze niet naar iemand keek, straalden terwijl haar gezichtsuitdrukking onveranderd bleef.’ De beschrijving door Pierre Michon van Madame Hanska wanneer zij voor het eerst Balzac ontmoet: ‘Ze is afstandelijk en opgewonden. Alsof een smachten op haar lippen ligt. Ze draagt een jurk van viooltjespaars velours.’ Ik hoor de stem van Jean-Luc Godard in Deux ou trois choses que je sais d’elle: ‘Ze is Marina Vlady, ze woont hier, ze draagt een nachtblauwe pullover, ze heeft lichtbruin haar, op dit ogenblik draait ze haar hoofd naar rechts, maar dat doet er niet toe.’ Ik probeer de zaken een voor een te benoemen, feitelijk: ze is Barbara Loden, ze is blond, haar haren zijn lang met een pony, haar gezicht is breed, ze heeft hoge jukbeenderen, haar neus is rond, haar ogen zijn groen maar op sommige dagen zwart – en dit ook: slank, tenger, kleine borsten, lange benen, laarsjes en mini-jurk, een sixtiesmeisje. Uit zelfbescherming lacht ze vaak. Haar blik is attent, bezorgd, vaak verward, met erna opeens die stralende lach. Ze is serieus, maar ongewild maakt ze vaak de indruk van het tegenovergestelde. Ze draagt een goudsbloemkleurig topje.

 

Is het zo moeilijk om gewoon een verhaal te vertellen? vraagt mijn moeder weer. Ik moet rustig blijven, kalm worden en met een lagere stem spreken: wat wil dat zeggen, ‘gewoon een verhaal vertellen’? Ze bedoelt wederwaardigheden, ze doelt op Anna Karenina, Illusions Perdues of Madame Bovary, ze wil zeggen dat er een begin, een midden en een einde moet zijn, vooral een einde.

 

Je denkt dat je slechts te maken hebt met louter formaliteiten, met voetnoten, notities of verslagen, met tabellen,
inleidingen, inhoudsopgaven of aanhangsels – een ordelijke, gestructureerde hoeveelheid woorden waar je niet meer dan een ochtend voor nodig hebt om er enkele zinnen mee in elkaar te zetten, simpel administratief taalwerk – en dan sta je tegenover een wereld waarin beslissingen moeten worden genomen, met aanzetten die tot niets leiden, met hypotheses die onhoudbaar blijken. Ik hoefde alleen maar een vermelding te schrijven, maar die moest nochtans beginnen met een begin en methodisch verdergaan om zonder veel haperingen bij het einde uit te komen. Vermelding, zo had ik gelezen: korte tekst bedoeld om een bepaald onderwerp samenvattend voor te stellen. Vermelding, descriptieve en explicatieve tekst. Het volstond om de auteur en haar werk voor te stellen, Barbara en Wanda. Elke ochtend stortte ik me op de vermelding om te proberen de gedachten in mijn achterhoofd te onderdrukken.

 

Wanda staat op de parkeerplaats van de rechtbank, met haar armen over elkaar, haar handtas hangt tegen haar aan, aan de kromming van haar arm, haar gezicht onder de krulspelden is bezorgd. Binnen wacht iedereen, de familie, de rechter en de griffier. Wanneer ze binnenkomt weet je al alles over haar, haar man heeft er een verklaring over afgelegd, je weet dat hij zijn ontbijt helemaal zelf moet maken, dat het haar geen zier kan schelen, dat ze niets aan het huishouden doet, zich niet om de kinderen bekommert, dat ze die maar aan hun lot overlaat, dat ze haar dagen doorbrengt op de sofa. Terwijl hij staat te praten komt ze achter in de zaal de rechtbank binnen, talmend, met onzekere tred. Ze rookt. Er klinkt een mannenstem die haar gebiedt dat niet te doen. Ze drukt haar sigaret uit, duwt de lage klapdeurtjes naar de voorkant van de rechtszaal open, zonder een blik naar de kinderen, naar de jonge vrouw die zich over hen ontfermt, naar haar ouders. Ze gaat bij haar man staan. Ze staan naast elkaar, zonder elkaar aan te willen kijken, ongemakkelijk vanwege het mismoedige en onbegrijpelijke dat er tussen hen bestaat en dat zelfs geen herinnering is. De rechter stelt haar vragen. Klopt het dat ze haar man en haar kinderen in de steek heeft gelaten? Ze houdt haar ogen neergeslagen, onder haar enorme krulspelden lijkt ze wel doorzichtig. Alle moeite van Wanda ligt in haar krulspelden: haar verlangen om te doen als iedereen, haar onderwerping aan de regels van het spel, aan de wetten van de verleiding, het blond zijn, sexy zijn, krulspelden inhebben. Maar met die moeite doet ze niets, ze maakt geen gebruik van het beoogde effect, gedraagt zich gedwee, ze maakt een gebaar en dat is het. Je zult nooit de blonde krullen van Wanda te zien krijgen, nooit zal Wanda verschijnen met haar haren goed verzorgd, met weelderige blonde lokken (‘De beheerste uitbundigheid van de blondheid is die van een gedresseerde sekse die altijd ongedurig blijft,’ aldus Norman Mailer; ‘Zo zie je eruit als een engel,’ aldus de bladen van die tijd). Met haar krulspelden voor de rechtbank is Wanda een wetteloze die zich naar de wet probeert te gedragen. Meneer de rechter, als hij een scheiding wil, willig die dan in. Just give it to him.

 

Toen Barbara Loden werd gevraagd waarom ze de rol zelf had gespeeld – want zou het niet gemakkelijker voor haar zijn geweest om bij haar eerste speelfilm met een andere actrice in de rol van Wanda te werken, zou het niet eenvoudiger zijn geweest om zich bij haar eerste film te concentreren op de regie dan om telkens de vermoeiende overstap van de ene naar de andere kant van de camera te moeten maken, om aanwijzingen te geven, beslissingen te nemen, die voortdurende belasting –, antwoordde Barbara bijna droevig, alsof ze zich verontschuldigde, dat alleen zij dat had kunnen doen, dat zij de meest geschikte ervoor was. I was the best for it.

Paperback met flappen, 120 blz.
Prijs € 18,50
ISBN 978 94 923 1368 3

Verschijnt mei 2019

Auteur