Herdruk van een van de hoogtepunten uit zijn oeuvre

In een obsessieve, borende stijl roept Te Gussinklo de gedachtewereld op van de jongen die hij ooit was, op weg naar volwassenheid. In de benepen gereformeerde omgeving voelt hij zich een melaatse, een vijand van alle mensen. Hij walgt van hun sociale aangepastheid. Voor hem is elk contact een duel. 
Dan ontdekt hij Sartre. Thuis vindt hij, een vakantie lang door diens boeken bladerend, de halfbegrepen woorden die hem definitief een voorsprong zullen geven op zijn leeftijdgenoten. Ze komen om raad bij hem, ze laten zich imponeren. Eindelijk heeft hij een effectieve strategie gevonden om zich tegenover de anderen staande te houden. 
In de jaren daarna raakt hij in de ban van Harry Mulisch. Koortsachtig leest hij diens eerste verhalen en romans. Hij spiegelt zich aan de helden die weigeren een compromis te sluiten met de onttoverde wereld van de volwassenen. 
Te Gussinklo herleest het werk dat hem tussen zijn zestiende en vijfentwintigste jaar tot op het bot raakte: de evocatie van wat hem in die tijd bezielde gaat vergezeld van vlijmscherpe en persoonlijk geëngageerde interpretaties van het werk van zijn idolen van toen.

‘Wessel te Gussinklo geeft in zijn buitengewoon geestige, hoogstaande en intense roman Aangeraakt door goden zo’n half mislukt genie het woord en laat hem ontroerend, snijdend en scherpzinnig oreren.’ Kees ’t Hart in De Groene Amsterdammer

Wonderlijk, uitgesponnen, dwars en manisch proza waarop alleen deze schrijver het patent bezit.’ Arnold Heumakers in NRC Handelsblad

Sartre als verlosser 
De Tovenaarsleerling i

Van Sartre wist ik nog niets, die laatste les voor de grote vakantie, die de leraar Frans – nu rapporten en overgang achter de rug waren – traditiegetrouw zou besteden aan het voorlezen van een verhaal. 
Ik was voor de derde keer in de tweede klas van de middelbare school blijven zitten, en zou ook voor de derde keer, wegens onmogelijk gedrag, van een school verwijderd worden (eerst het Christelijk Gymnasium te Utrecht, daarna het De Bruyne Lyceum en nu het Christelijk Streeklyceum in Doorn). Dit was de laatste lesdag. Niets kwam er van me terecht – en ik begreep niet waardoor. Een paria was ik. Geen enkele middelbare school zou me nog accepteren. Nu kon ik alleen nog naar de mulo of naar een ambachtsschool – of een internaat met strenge discipline. Ik wist niet meer wat ik met mezelf moest beginnen. En leren kon ik ook al niet! Het moest wel zo zijn dat ik heel dom was. (Hoewel, dom was ik niet, had een psychologisch onderzoek, een test, omdat anders ook deze school mij niet had willen hebben, uitgewezen. Ik was zelfs nogal intelligent ((andere woorden werden gebruikt en: ‘Er is iets met deze jongen. We weten niet wat.’)) Maar intelligent!? – dat wilde ik al helemaal niet zijn: dat waren die jongens met brilletjes en rare stemmen en van die giechellachjes. In cafés wilde ik zitten met wijven…) 
In het benepen gereformeerde pleeggezin waar ik ondergebracht was, ging ik elke avond om acht uur naar bed, omdat ik anders leerstof moest repeteren (ook dat nog; er kwam geen eind aan); maar vooral vanwege een totale apathie, een onoverwinnelijke, dodelijke vermoeidheid – tien, twaalf uur slapend, en genoeg was het nooit. Trouwens ik mocht na acht uur ’s avonds niet meer buiten komen (een politionele beslissing) nadat ik uiteindelijk betrapt was bij het al maandenlang in somnambule gedrevenheid rondzwerven in verre uithoeken en onbekende buitenwijken van de stad – overal brandjes stichtend: brandjes in vuilnisbakken, struiken, stapels kranten. Onmogelijk op te houden want wat dan…? Weer was ik blijven zitten, weer zou ik van een school gestuurd worden. Onmogelijk dit almaar voortgaan los te laten: want hier was iets wat kon branden, en daar, en verderop – en kijk daar eens! De zichtbaarheid van al die dingen, de mogelijkheid er iets mee te doen – zomaar, moeiteloos; vanzelf ging het verder. Ik hoefde nergens aan te denken. Zelfs een blik hoger dan de lage horizon van vuilnisbelten en oude kranten was niet nodig. Geen mens zag ik aan, niet verder dan hun schoenen reikte mijn blik, en schuin daarlangs; geen oogcontact mocht er zijn, niets mocht in me doordringen (ik heb het beschreven in De verboden tuin). 
Maar ten slotte toch betrapt bij het in brand steken van een hooiberg in het begin van de avond, op het grasveld aan de Utrechtse Croeselaan waar later het Iglo-gebouw zou verrijzen. 
De grootse, bijna gewelddadige pracht van het vuur in de aanvangende schemering, de totaalomvattendheid van de meters brede, rokende en al aangloeiende basis van de hooiberg; de huizenhoge vlammen… En daarna achtervolgd door een ‘Hé, jij daar! Wacht jij eens even,’ roepende agent over de Da Costakade: de onverwacht genomen zijstraten, de snelle haakse bochten in de hoop de agent kwijt te raken. En toen dat niet lukte: na weer een haakse bocht bliksemsnel een tuin aan de Vondellaan in, achter struiken en een muurtje. Maar toch ontdekt, toch gevonden en afgevoerd naar het politiebureau Tolsteeg om afgetuigd te worden… (Ik heb het verteld in De opdracht – al hoorde het daar bij een ander verhaal.) 

Lezen deed ik niet meer. Ik had de brug tussen jeugdboeken (Karl May, de prisma junior-serie, Bob Evers, en dergelijke) en de boeken voor volwassenen niet kunnen vinden. De enkele keer dat ik een boek probeerde te lezen, kwam wat ik las me kleurloos-abstract en volkomen irrelevant voor: onwezenlijke handelingen en overwegingen van mensen voor wie ik geen enkel gevoel op kon brengen. 
Maar gevoelens…? Met gevoelens was ook al iets. Die opgewekte gereformeerde mensen om mij heen, die van alles voelden en geloofden en zeker wisten. Die van anderen hielden: hun ouders, hun vrienden; en die in god geloofden – en ook zoiets voelden ze echt. Terwijl ik niets geloofde – want hoe kwamen ze erbij? – en niets voelde, behalve bevreemding. (En ze waren zo opgewekt, zo vrolijk, zo zeker van zichzelf. Ze keken altijd om zich heen met gretigheid. En nergens twijfelden ze aan.)
Natuurlijk had ik gevoelens. Het was bijvoorbeeld prettig om iets te krijgen of te hebben, daar kon je blij om zijn. Maar dat had niets met mensen te maken, of met god en die andere dingen. En er waren mensen – zoals je moeder – die je vaak zag en aan wie je daarom gewend was. Maar gevoelens? Houden van? Aardig…? Het was bruikbaarheid, die hun belang bepaalde, nut, gewenning; en vooral een soort gladde moeiteloosheid die geen enkele aandacht vroeg. Meer was er als het erop aankwam eigenlijk niet. En die gevoelens…?! Maar die gevoelens hadden zij wel: ze voelden liefde en vriendschap en verontwaardiging en woede – het was allemaal echt, ze meenden het. Terwijl ik… Warrigheid voelde ik, angst. Alleen met schreeuwen en lawaai kon ik de bevreemding soms even vergeten. 
En ik zag rare dingen. Het was of hun gevoelens een achterkant hadden; een vaag, schemerig gebied van berekening, van passen en meten dat ongezien moest blijven. En ik zag hoe ze sommige gevoelens wel wilden hebben en andere juist niet. En ik zag hoe ze een beetje duwden, een beetje prutsten aan zichzelf – want mooi moest wat ze toonden zijn; overtuigen moest het; aardig en belangrijk moesten anderen je vinden zodat ze van je hielden. En ja, er was ook nog iets anders (heimelijker, verborgener): glad en sterk moest wat ze toonden zijn – zonder iets wat wrong: iets rafeligs dat anderen voorzichtig maakte, dat onbehaaglijkheid wekte. Een scherm van gladde helderheid moesten ze laten zien, een scherm dat voor iets anders schoof – iets weeks, iets vormeloos; iets… Maar kennis daarvan leken ze ook al niet te bezitten – althans niet echt. Argeloos waren ze; onschuld was hun gedrag. En toch. En toch… Maar daarover spreken, zoiets zeggen, was niet mogelijk, want er bestonden geen woorden voor. Met verontwaardiging, met bevreemding zouden ze reageren als ik zoiets zei – en erkennen zouden zij geen ding. Dat ik dit zag moest een afwijking zijn. Een onmens was ik dat ik anderen zo beoordeelde, en alleen maar dit soort dingen opmerkte (dingen die niet eens echt waar waren); en ook nog niets voelde: tenminste niets gewoons; niets als alle anderen die goed en vriendelijk waren, en die met hartelijke gevoelens naar elkaar keken – helemaal als zichzelf (of dacht ik dat maar, leek het maar zo? Want soms…) – en die af en toe ook wel eens boos of koel of onverschillig waren – precies zoals het ze uitkwam. (Zo’n gevoel schoot ze zomaar te binnen – hoe was het mogelijk – boosheid, onverschilligheid voelden ze zomaar écht. Terwijl ik alleen maar loerde en kil was. En voelen deed ik niets: geen vriendschap, geen kameraadschap, geen boosheid. Zenuwachtig was ik, en heel soms nam dat af.) 
Als een melaatse, een vijand van alle mensen was ik met die gedachten en overwegingen; al die dingen die behalve ik nooit iemand anders dacht en zag. Ik zag de kleine schokjes in hun ogen als ze keken of juist niet keken; het even oplichten en aanscherpen, en ik voelde het wegdraaien daarna in mijn eigen ogen. Er waren andere dingen aan de hand; het ogenschijnlijke was het niet. Iets – je kon zelfs niet zeggen dat zíj het waren –; iets, bood aan: lachjes, woorden, gedragingen waren dat; iets stelde eisen, had verwachtingen – maar van wie kwamen die verwachtingen en eisen? van wat: van het gebeuren zelf? van de handeling? van de toestand? van henzelf? (vanwaar die vonkjes, die schokjes die ik zag?). Het leek of ze een gebaar, een lach, voor zichzelf uit naar voren staken, voor zich uit hielden om zichzelf te bedekken, als een soort tussenstof tussen hen en mij in. En ik moest ook zoiets ophouden – iets gelijkwaardigs – om het te pareren. Op een bepaalde manier was dat een antwoord, was dat een reactie, een dialoog – maar niet tussen hen en mij, maar tussen hun woorden, hun glimlachen (hoe dit te zeggen?) – hun handigheid en de mijne; hun slimheid! – blikken waren het, lachjes, toepasselijke woorden en gebaren: slim en gewiekst pareren, nog slimmer, nog gewiekster. Maar antwoorden van henzelf…? Nee, antwoorden waren het niet. Daarachter bleven zijzelf verborgen en keken toe (was dat zo? was dat het?), afgeschermd door die woorden, die lachjes en gebaren. Maar ik niet. Afschermen, verbergen deed, ook dat niet echt – niet mij, niet mijzelf. Een hopeloos uitsteken deed zich voor, als ik iets zei of deed, of als ik zomaar ergens was, een soort tevoorschijn floepen – rafelig, wringend en vooral onaf – naast, langs wat ik pretendeerde te zijn – even zichtbaar, haast nog zichtbaarder. En ik kon het niet bedekken, ik kon het niet verbergen. 
Maar hen verborg wat ze deden wel. Weg waren ze. Hun lachjes waren er, hun praatjes, hun ideeën; dat was het enige wat je van ze zag. Maar toch niet helemaal: een vormloos aanwezig-zijn bleef bestaan; een mysterieus spookachtig ademen dat niet uit hun lichaam voortkwam. Iets – zijzelf? de situatie? (of waren het de woorden, de gebaren: die vooruitgeschoven posten van henzelf?) – drong op mij in, taxeerde, dreigde te overweldigen; dwong bewegingen en reacties bij mij af, die eerder pareren waren dan antwoorden – en zeker geen gevoelens; niet hun soort gevoelens.
Maar écht bestaan deed ook dat niet. 

De leraar Frans was christenexistentialist – zoals je in die tijd ook christensocialisten of christenmarxisten had; rekbaar als elastiek was dat soort christendom. Er zouden nu christendeconstructivisten en christenpostfeministen geweest zijn als het christendom nog bestaan had. (Later, in de jaren zeventig toen de grote zondvloed losbrak, werd deze leraar christenanarchist: vóór revolutie en vrije liefde – plotseling geen pak meer aan, maar een spijkerbroek en houthakkershemd. Gelukkig dat hij spoedig daarna uit zijn lijden verlost werd – want al dat steeds maar moeten veranderen, daar is geen einde aan.) 

Er was een jonge Franse filosoof en schrijver, vertelde de leraar, van wie hij deze laatste les een verhaal zou voorlezen. Maar alvorens dit te doen zou hij iets van zijn leer vertellen – een leer waarvan hijzelf trouwens een aanhanger was. Deze filosoof en schrijver (Sartre was zijn naam) riep weliswaar van de daken dat God niet bestond (dat was natuurlijk niet juist; dat moesten wij christenen verwerpen), maar andere dingen had hij zeer scherp gezien. Ook christenen had zijn leer veel te bieden… Daarna de bekende dingen: de mens – die zichzelf koos – le choix originel – onder de blikken van de anderen – le regard – die vol kwade trouw kon zijn – la mauvais fois – die geworpen was tussen de dingen in deze wereld die hij zelf niet gekozen had; die voor zichzelf bestond, en tegelijk ook voor de anderen bestond… 

‘Zonder God,’ zei deze Sartre. ‘Maar dat konden wij christenen niet erkennen en aanvaarden’… enzovoort, enzovoort. Ik weet het niet allemaal meer, en het is dertig jaar geleden, dat ik L’être et le néant ingekeken heb (een belangrijk boek overigens, dat nog niet lijdt aan het megalomane, opgeblazen karakter dat het latere werk van Sartre ongenietbaar maakt – een boek dat in mijn nabeeld niets van zijn allure verloren heeft). 

In de voorste bank – gelukkig in de voorste bank – iets opzij van de leraar (op een plaats zo dicht mogelijk bij de deur – waar ik al maanden eerder, vanwege mijn onmogelijke en horzelachtige gedrag geplaatst was, zodat ik onmiddellijk uit de klas verwijderd kon worden) hoorde ik het allemaal aan: verstard, alsof ik me met handen en voeten moest schrap zetten, moest vastklampen aan al die dingen waar ik tussen zat – die bank, dit licht, deze ruimte, dit lokaal. Waarom? Waarvoor? Alsof ik weg zou waaien; alsof ik zou verglijden, zou verdwijnen; ik weet niet wat. Een bal van licht – een beter woord weet ik niet – was ergens ter hoogte van mijn middenrif in mijn maag ontstaan: iets adembenemends dat opsteeg en zwol in mijn keel en mijn borst. Dit was het dus! Dit had ik gezien en steeds gevoeld, het angstvallig voor me houdend – als een melaatse, een mismaakte mezelf bedekkend met geroep, met gelach, met dwarsige handelingen – vooral die: want, als er maar gelach en plezier bij anderen was – of ergernis, of wrok (en niets onbestemds was daarin) – dan kon het geen kans krijgen: het bevreemde staren; de reusachtige spiegeling die de anderen waren als antwoord op mijn eigen bevreemding (bevreemding omdat niets meer klopte, niets meer paste, elke vanzelfsprekendheid uit de dingen verdwenen was). De onbestrijdbare schuwheid die ik steeds meer voelde (in mijn ogen moest het te zien zijn) en waartegen niets hielp, behalve schreeuwen, lachen (iets anders bedenken kon ik niet). Want zeker was het dan dat ze uitsluitend handelingen zagen – mijzelf zagen ze niet. Blijvend was de onwennigheid. 
Het was maar gelukkig dat ik helemaal vooraan zat, en al maanden in mijn eentje – een soort quarantaine omdat ik anderen te veel afleidde met praatjes en grappen, of aan het schrikken bracht: bijvoorbeeld, door harde onverwachte schreeuwen, of schokkerig half uit mijn bank vallen en tegen ze aan rollen in niet helemaal ongeslaagde pogingen epileptische aanvallen te imiteren; of tijdens de doodse stilte van een repetitie, bij het zomaar, door toeval, door een gelukje, vinden van het juiste antwoord op een vraag, de goede oplossing van een probleem met een ruk mijn armen uitstekend, krachtig wijzend en het uitschreeuwend: kaaaaaaa…! Dan vielen anderen bijna uit hun bank. Raar was ik, gek, een type met wie je wel kon lachen, maar die toch vooral eigenaardig was. Ook tussen deze dertien-, veertienjarigen, die mijn klasgenoten waren (en aan wie ik voorgaf bijna vijftien te zijn, om het niet nog erger te maken, terwijl ik al maanden zeventien was), was ik eigenlijk een uitgestotene, een paria, met dat opzichtige gedrag, dat geschreeuw en gedoe. Geschreeuw en gedoe dat soms plotseling, zonder dat daar een aanleiding voor leek te zijn – ik had geen idee waardoor het kwam: iets was op, was leeg, ik kon niets meer vinden – stilviel, verstroefde naar houterigheid en beklemde, half verontschuldigende verlegenheid (een verlegenheid waardoor ik hun kant niet meer uit durfde te kijken: want helemaal ‘open’ lag ik voor ik wist niet wat – hun meningen, hun blikken – door de weke vormbaarheid die zich in mij uitstrekte). Ontoonbaar was ik, nu ik geen houding meer kon vinden, en niet meer wist waar ik met mezelf blijven moest tussen die kinderen, die klasgenoten die, als door een geboorterecht, zomaar gewoon zichzelf waren, en bij wie elk gedrag, elke glimlach, elk woord, als vanzelf van het een naar het ander voortvloeide, soepel als water. Alleen harder schreeuwen hielp dan nog, ze overbluffen, ze verbazen. 
Maar waarom eigenlijk? Om door hun verbaasde gelach, hun ergernis over wat ik deed – en zulke gevoelens waren ‘zeker’, niets dubbelzinnigs was daarin – dat andere voor te zijn. In hun ogen bijvoorbeeld, als die plotseling de mijne troffen terwijl ze zomaar wat lachten en praatten. En ver weg in die ogen zag ik iets wat er ook was – iets wat geen vorm, geen naam bezat en wat uit stilte bestond: een stilte, een soort onbeweeglijkheid en afstand die zich uitstrekte achter hun lachjes – zodat ikzelf ook stil en onbeweeglijk werd (want wat viel er nog te zeggen of te doen, behalve wegkijken en zwijgen nu ik dit gezien had, en wist dat zij het ook gezien hadden, en wist dat die stilte, die verre onbeweeglijkheid, ook in mij bestond? Niets kon daar tegenop.) Al die praatjes: het was maar schijn, het was sier; want in de diepte roerde zich niets – of was dat alleen bij mij zo? Schreeuwen, lachen moest je; ze verbluffen, zodat ‘het’ geen kans kreeg. Want iets als dit mocht niet bestaan: dan kon je nooit meer met iemand praten of naar iemand kijken. 
Maar het was er steeds nu ik het eenmaal opgemerkt had. Het moest door mijn onechtheid, mijn vreemdheid komen, door de valsheid van wie ik was. Want ik zag ze samen; en alles wat ze deden was argeloos, alsof wat ik dacht niet waar kon zijn.
En toch. En toch… Want wat waren dan die kleine beweginkjes die ik zag, die speciale houdinkjes die ze aannamen terwijl ze met elkaar praatten, vanwaar dat onverwachte afwenden, dat onnodige zwijgen, de mondjes die ze trokken, die oogstand…? Poses waren het: plannen hadden ze met zichzelf en met anderen… Maar geen stroefheid of bevreemding was te zien. Ze vielen samen met wat ze deden. Terwijl ik… Niets van wat zij leken te voelen, voelde ik: alleen chaos was er, verwarring; geen gedrag sprak vanzelf, geen houding was gewoon. Lachen, glimlachen, boosheid, verdriet, vrolijkheid; of zelfs zomaar wat kijken, of praten, of lopen: niets vanzelfsprekends was erin overgebleven. Steeds opnieuw moest alles wat ik deed berekend en bedacht worden: haast of ik telkens een knop omdraaide in mezelf, en mikte en zocht (want elk gedrag was toeval, willekeur was elke houding: je kon net zo goed heel anders doen – en dan je gezicht nog, en je woorden…). 
Het moest wel een ziekte zijn dat ik zo was geworden. Alleen zenuwachtigheid voelde ik, doffe beklemming over iets wat weggleed uit mijn leven, wat vergruizelde, zonder dat ik precies kon zeggen wat het was. En ook geen gevoel van hoop meer, of verwachting over een toekomst: over ouder worden; volwassen worden en als vanzelf veranderen – dat uitzicht was verdwenen. Want wat moest ik worden? Wat moest er van me terechtkomen nu ik niets meer kon en niets meer begreep. Net zo worden als die volwassenen…!? Het was onvoorstelbaar. 
En iets tegen anderen te zeggen, of met ze uit te wisselen, had ik ook al niet – ja, over zeilen en zeilboten, maar dat interesseerde niemand; of meiden, drank en cafés. (Maar meiden… dat lukte niet meer, dat was alleen nog maar bluf en geschreeuw – en was het ooit echt gelukt: behalve ze klemrijden, of ze tegenhouden en in een portiek proberen te trekken…? Met afschuw en schrik keken ze naar me: huiverend van de vreemde onaantrekkelijke lawaaiigheid – als ik maar bij ze uit de buurt bleef, want huu…!) En hoe gewoon was alles niet geweest, zo kortgeleden nog, toen ik nog van niets wist en niets merkte, en alles zich voegde naar wat ik deed of zei. Maar er was geen weg terug, wat ik ook deed. En drinken…? In cafés kwam ik niet nu ik elke avond om acht uur naar bed ging en me, voor wat dan ook, te moe, te lusteloos voelde. En eigenlijk was het een opluchting dat het niet meer kon. Poses en grootspraak was al mijn gepraat: gebluf, schreeuwen over de stilte heen. 

‘Ieder mens is alleen,’ zei de leraar, ‘is geworpen in een wereld die hij niet gekozen heeft. Is een vreemde onder de blik van de anderen, die hem ook tot een vreemde voor zichzelf maakt. (Wij christenen aanvaarden dat niet omdat Jezus door zijn lijden en sterven ons met alle mensen verzoend heeft… Maar toch… En ook aanvaarden wij “zijn tot de dood” niet, – zoals Sartre zegt – want god heeft door zijn zoon ons het eeuwige leven beloofd. Hoewel…) En wij kiezen onszelf in een wereld die ons vreemd is – leert Sartre – onder de blik van de anderen – le regard –, die voor ons altijd vreemden zullen zijn. Want ieder mens is onbereikbaar voor de anderen, blijft een vreemde, ook al is het je vriend, of vriendin, of je vrouw, of je kind; blijft een mens die zijn eigen keuzen maakt om zichzelf te zijn – le choix originel – los van de anderen, en eigenlijk tegen die anderen…’ 
Iets als een soort kokhalzen deed zich voor – andere woorden weet ik niet –, een opstoten, een opduwen ergens uit de diepte van mijn lichaam naar mijn hals en mijn keel waar mijn adem vastzat, en ook met kleine hijgerige stootjes steeds verder omhooggeduwd werd. 
Dít was het dus! En een melaatse had ik me gevoeld, een mismaakte – want niemand had zoiets: die ziekte, waardoor geen ding meer echt was. Als los zand was alles geworden – terwijl voor iedereen alles vanzelf sprak, alles gewoon was: geen gedachte besteedden ze eraan – gewoon, vanzelf. En ik, ik zag ook bij hen alleen de onderkant, de achterkant bij alles wat ze deden – ik zag poses, houdingen, plannen; berekening zag ik, valsheid – net als bij mezelf. Ik zag alleen hun gepruts en gescharrel, het geschuif met hun gevoelens, hun waakzame blikken: niets van dat alles ontging me. Ik zag dingen die niet waar konden zijn! Die alleen voor mij golden! 
Maar zo was het dus wél. Bewonderenswaardige figuren, grote denkers hadden dit soort gedachten ook: iemand als deze Sartre bijvoorbeeld. ‘Gedachten die door iedereen bewonderd werden,’ zei de leraar. 
Opeens ook tranen. Maar ik zat hier gelukkig vooraan, voor iedereen onzichtbaar. En juist deze plaats was prachtig en goed. De afgescheidenheid van mijn klasgenoten die dit allemaal maar wat aanhoorden (de laatste les voor de vakantie) en die niets herkenden of begrepen (zomaar wat voorlezen van de leraar Frans): deze afgescheidenheid was een teken – zo anders, zoveel bijzonderder was ik. En ook die tranen waren een teken: bewonderenswaardig waren ze – net als dat schokkerige hijgen, die haast pijnlijke benauwdheid. Zulke gevoelens hadden zij niet – zij die van niets wisten. En ook dat was prachtig en mooi en van een grote droevige volheid. Want zo waren de dingen! Zo was het leven – zo gebroken – zo moeizaam, zo alleen. Wat had ik gezocht en me uitgeput, me angstvallig verbergend – zo was het dus! dit was het! 
Op hetzelfde moment wist ik het al: ik zou ook filosoof worden. Meteen uit school zou ik naar een bibliotheek gaan om deze boeken te lenen – misschien direct al na deze les. Want wat had ik nog op deze school te zoeken de laatste dagen voor de vakantie, nu ik ook hier verwijderd was?

 

Wessel te Gussinklo
Aangeraakt door goden
Biografische en autobiografische schetsen
Paperback met flappen, 304 blz.
€ 24,50
ISBN 9789083262178
NUR 323
Verschijnt 9 februari 2023

Wessel te Gussinklo

César Aira
Uitgeverij Koppernik

Meld u aan voor onze nieuwsbrief en ontvang bericht bij nieuwe boeken.

Dank voor uw aanmelding.