NOODNAAM

Het kan niet zijn
dat ik naar jou vernoemd
te zeggen heb wat jij in mij
verbloemt,

als tegelijk niet ook jouw aarde
op mijn hemel doelt, tenzij
je dat bij mijn geboorte hebt
voorvoeld.

In het titelgedicht, maar ook op andere plaatsen in zijn nieuwe bundel, schrijft Wiel Kusters op elegische toon, maar zonder pathos, over zijn beide overleden broers, van wie hij er een niet gekend heeft. Daarbij komt hij, zo lijkt het, tot de conclusie dat de dichter in zijn schrijven en spreken zoiets als een broer van zichzelf moet zijn. In de woorden en klanken van zijn zowel vreemde als nauw aan hem verwante stem.