De rover is Robert Walsers laatste en waarschijnlijk gedurfdste en wildste roman. Het is het verhaal van een dromer op weg naar zelfontdekking en is een mix van liefdesverhaal, tragedie en farce. Tegelijkertijd is het zowel een onderzoek naar de romanvorm als naar de hoofdpersoon, de vervolgde en uitgestoten ‘rover’, die in steeds hogere mate samenvalt met de verteller van de roman.

De rover maakte deel uit van de zogenaamde ‘Mikrogrammen’ die Walser met potlood in miniatuurschrift schreef. Het totale manuscript van de roman nam vierentwintig bladzijden in beslag.

De rover geldt als een van de meesterwerken van het modernisme en in bepaalde opzichten zelfs als voorloper van het postmodernisme.

‘Walser maakt vrolijke mist in je hoofd.’ de Volkskrant

‘Als het in 1926 was gepubliceerd, zou het de loop van de moderne Duitse literatuur hebben veranderd.’ J.M. Coetzee, New York Review of Books

‘Een van de grote wonderen van de Europese fictionele wereld. [Het] bezit alles: je zult op je hoofd krabben; je zult hardop lachen.’ William H. Gass

‘Een prachtig, onsamenvatbaar werk.’ Benjamin Kunkel in The New Yorker

‘Het kan heel goed zo zijn dat je door het lezen van Walser een gezonder en aardiger persoon wordt. Hoe dan ook maakte het je gelukkig.’ Kirkus Review

‘Zonder overdrijving, al het werk van Walser is subliem.’ Tzum

‘Walsers werk is van een uiterste eenvoud, maar slechts eenvoud werpt licht op de wereld.’ Franz Kafka

Edith houdt van hem. Hierover later meer. Misschien had ze nooit met deze nietsnut die geen geld bezit, betrekkingen moeten aanknopen. Het schijnt dat ze vrouwelijke afgevaardigden, hoe zullen we dat noemen, ambassadrices, op hem afstuurt. Hij heeft overal zo zijn vriendinnen, maar het wordt niks met hen, en het wordt vooral weer niks met die zogeheten beroemde honderd franken. Ooit liet hij uit louter toegeeflijkheid, uit menslievendheid, honderdduizend mark in de handen van anderen achter. Als hij uitgelachen wordt, dan lacht hij mee. Dat alleen al kon iets heel bedenkelijks aan hem lijken. Hij heeft niet eens een vriend. Gedurende ‘al die tijd’ die hij hier tussen ons doorbrengt, is het hem tot zijn genoegen niet gelukt zich in de mannenwereld aanzien te verwerven. Is dat niet een van de grofste gebreken aan talent die je je kunt indenken? Bij sommigen werken zijn hoffelijke manieren allang op de ‘zenuwen’. En deze arme Edith houdt van hem, en hij gaat intussen, omdat het nu heel warm is, ’s avonds om half tien nog zwemmen. Voor mijn part doet hij dat, maar laat hij zich niet beklagen. Men heeft zich ongelooflijk veel moeite getroost om hem op te voeden. Gelooft deze Peruaan, of wat hij ook mag zijn, dan dat hij dat zelf zou kunnen? ‘Wat moet je?’ Met zulke woorden wordt hij door meisjes uit het volk aangesproken, en deze schaapskop die hij, God sta me bij, lijkt te zijn, vindt deze manier van vragen wat hij wenst verrukkelijk. Ze behandelen hem af en toe allang als iemand die zonder meer heeft afgedaan, en daarover verheugt hij zich zelfs. Ze kijken hem aan alsof ze willen uitroepen: ‘Is dit onmogelijke geval er nou voor de verandering ook weer eens. O, wat vervelend!’ Bars aangekeken worden, dat amuseert hem. Vandaag heeft het een beetje geregend, en zij houdt dus van hem. Zij heeft hem als het ware vanaf het eerste moment innig liefgehad, maar hij hield het niet voor mogelijk. En nu die vanwege hem gestorven weduwe. We zullen ongetwijfeld terugkomen op deze betrekkelijk degelijke vrouw die in een van onze straten een bedrijf had. Onze stad vertoont overeenkomsten met een grote boerenhoeve, zo mooi hangen de delen met elkaar samen. Ook hier valt nog meer over te zeggen. Al zal ik het kort houden. Wees ervan overtuigd dat ik U louter het welvoeglijke meedeel. Ik houd mezelf namelijk voor een beschaafde auteur, wat misschien heel dwaas van me is. Misschien zullen er inderdaad terloops ook onbeschaafdheden insluipen. Met die honderd franken wordt het derhalve dus niets. Hoe je toch zo prozaïsch kan zijn als deze onverbeterlijk goedgehumeurde, die zich door meisjes die leuke schortjes dragen, moet laten zeggen als hij hun voor ogen komt: ‘Ook dat nog. Dat ontbrak er nog aan.’ Natuurlijk laten zulke zegswijzen hem een beetje voor zichzelf beven, maar hij vergeet steeds alles. Alleen een nietsnut als hij kan zoveel belangrijks, moois, nuttigs in één keer uit zijn hoofd laten verdwijnen. Nooit bij kas zijn is iets onnuttigs. Eens zat hij zomaar op een bank in het bos. Wanneer was dat? Vrouwen uit de betere kringen beoordelen hem milder. Zou dat zijn omdat ze hoogmoed in hem vermoeden? En dat directeuren hem een hand geven. Is dat niet heel eigenaardig? Juist deze rover? 

 

Onverschilligheid, lamlendigheid van voetgangers op straat irriteert automobilisten. Ik wil ook nog snel dit zeggen: er is daar een vervanger die mij niet gehoorzaamt. Ik wil zijn tartende gedrag aan hem overlaten. Ik zal hem op de meest grandioze wijze vergeten. Maar nu heeft een middelmatige bij Edith succes geboekt. Hij draagt in ieder geval zo’n soort geklede hoed die alle dragers ervan een modern voorkomen verleent. Ook ik ben middelmatig en ik ben blij dat ik ’t ben, maar de rover op de bank in het bos was ’t niet, anders had hij onmogelijk voor zich uit kunnen fluisteren: ‘Ooit dartelde ik in de straten van een lichte stad rond als commies en fantaserende patriot. Als er in de buurt van mijn geheugen licht is, haalde ik in opdracht van mijn bazin een lampglas of wat ’t ook was. Ik bewaakte toentertijd een oude man en vertelde een jong meisje wat ik geweest was voordat ik in zijn nabijheid belandde. Nu zit ik zonder bezigheid, waarvoor ik billijkheidshalve het buitenland verantwoordelijk stel. Ik kreeg in het buitenland voor de belofte talent te tonen steeds maandgeld. In plaats van me toen met cultuur, met de geest etc. bezig te houden, joeg ik verstrooiingen na. Op een dag stelde mijn weldoener mij in kennis van de misplaatstheid die hem leek te sluimeren in het idee dat hij mij ook in ’t vervolg nog financieel zou steunen. Deze mededeling maakte mij bijna stom van verbazing. Ik ging aan mijn sierlijke tafel zitten, d.w.z. op de sofa. Mijn hospita trof mij wenend aan. ‘Maak je geen zorgen,’ zei ze. ‘Als je me iedere avond op een mooie voordracht trakteert, zal ik in mijn keuken kosteloos de meest malse koteletten voor je laten braden. Niet alle mensen zijn door de natuur voorbeschikt zich nuttig te maken. Jij vormt een uitzondering.’ Deze woorden vormden voor mij de mogelijkheid om verder te leven zonder iets te presteren. De trein heeft me toen hierheen gebracht opdat Edith’s gezicht onverdraaglijk (vruchtbaar) voor mij zou zijn. Mijn verdriet om haar lijkt op een draagbalk waaraan weer pleziertjes schommelen.’ Zo onderhield hij zich onder het bladerdek met zichzelf, waarna hij in een paar sprongen op een arme zuiplap toesnelde die net zijn jeneverfles in zijn jasje verstopte. ‘Halt, jij daar,’ riep hij uit, ‘zeg me wat jij daar voor een geheim verbergt voor je medemensen.’ De geroepene stond stil als een zoutpilaar, niet zonder te glimlachen. Ze keken elkaar aan, waarop de arme man hoofdschuddend verder liep terwijl hij zich allerlei aardige kletskoek over de tijdgeest liet ontvallen. De rover pikte al deze opmerkingen zorgvuldig op. Het was nacht geworden, en onze kenner van de omgeving van Pontarlier ging naar huis, waar hij heel slaperig aankwam. Wat de stad Pontarlier betreft, die had hij uit een bekend boek leren kennen. Er is daar onder andere een vesting waarin tijdelijk een dichter evenals een negergeneraal aangenaam gelogeerd hadden. Voordat onze vaak en veel Frans lezende in zijn nest of bed ging liggen, zei hij: ‘Ik had haar die armband allang terug moeten geven.’ Aan wie had hij toen vast gedacht? Een zonderling zelfgesprek, dit, waarop wij vrij zeker terug zullen komen. Zijn schoenen poetste hij steeds eigenhandig, ’s ochtends om elf uur. Om half twaalf rende hij de trappen af. ’s Middags was er meestal spaghetti, ach ja, en hij at die altijd weer heel graag. Wat eigenaardig kwam hem dat soms voor dat hij ’t nooit beu werd die lekker te vinden. Gisteren sneed ik voor mezelf een twijg af. Stelt U zich voor: een auteur wandelt in het zondagse landschap, oogst een twijg, voelt zich daarmee geweldig, nuttigt een broodje ham, acht de serveerster, die qua verrukkelijke slankheid op een twijg lijkt, geschikt om aan haar, terwijl hij dit broodje ham verorbert, de vraag te richten: ‘Juffrouw, wilt U er mij met mijn twijg eentje op mijn hand geven?’ Bedremmeld wijkt zij voor de rekwestrant terug. Iets dergelijks is tot dan toe nog niet van haar verlangd. Ik kwam in de stad en beroerde met mijn staf een student. Er zaten meerdere studenten in het café aan hun stamtafel. Degene die ik aangeroerd had, keek mij aan alsof hij naar iets keek dat hij tot nu toe nog nooit eerder had gezien, en alle andere studenten keken ook zo naar mij. Het was alsof ze plotsklaps veel, heel veel nog nooit helemaal hadden begrepen. Wat zeg ‘k nou, in ieder geval deden ze allemaal om redenen van fatsoen alsof ze erg verbaasd waren, en nu trekt mijn romanheld, of degene die het nog worden moet, de deken tot over zijn mond en denkt ergens aan. Hij had de gewoonte steeds aan iets willekeurigs te denken, als het ware zomaar wat te mijmeren, ofschoon niemand hem daarvoor iets gaf. Van een oom, die zijn leven in Batavia had doorgebracht, kreeg hij een bedrag van hoeveel franken? Wij weten niet precies hoe hoog dit bedrag was. Er is toch ook altijd iets heel prettigs aan het niet weten van dingen. Onze Petruchio at soms in plaats van een normaal d.w.z. volledig middagmaal bij wijze van uitzondering alleen een stuk kaastaart waarbij hij zich koffie liet serveren. Dat alles had ik u niet kunnen vertellen als zijn oom uit Batavia hem niet geholpen had. Op basis van deze hulp leidde hij in zekere zin zijn zonderlinge bestaan voort, en op basis van dit onalledaagse en toch ook weer alledaagse bestaan stel ik hier een weloverwogen boek samen waaruit absoluut niets geleerd kan worden. Er zijn namelijk lieden die uit boeken aanknopingspunten voor ’t leven willen putten. Voor dit soort zeer eerbiedwaardige lieden schrijf ik dus tot mijn reusachtig grote leedwezen niet. Of dat jammer is? Oh ja. Oh saaiste, degelijkste, braafste, burgerlijkste, vriendelijkste, rustigste aller avonturiers, slaap ondertussen lekker. Wat een sukkel is hij om genoegen te nemen met een mansarde, in plaats van luid uit te roepen: ‘Hier met die prachtwoning die U verplicht bent mij ter beschikking te stellen.’ Hij snapt ’t nu eenmaal niet. 

 

Ik weet niet of ik wel of niet het recht heb om als die vorst Vronsky uit het boek De vernederden en beledigden van de Rus Dostojevski te zeggen dat ik geld en relaties nodig heb. Het is mogelijk dat ik eerdaags in een plaatselijk blad een huwelijksadvertentie ga plaatsen. Zoals deze vlegel op een avond na beëindiging van het souper, dat hoofdzakelijk uit kip en salade bestond, de fooi voor haar zo lieve, mooie figuur gooide. U zult wel geraden hebben, mijn vrienden, dat ik het over de rover en over zijn Edith heb, die tijdelijk als serveerster in het voornaamste restaurant dienst deed. Kon een demon het voorwerp van zijn verering lomper, barser, grover behandelen? U zult vast niet geloven wat een hoop dingen ik U te zeggen heb. Een rechtschapen vriend zou voor mij mogelijk noodzakelijk, d.w.z. belangrijk zijn, ofschoon ik vriendschap voor onhaalbaar houd omdat zoiets me een te zware opgave lijkt. Speciaal hierover zou heel wat gereflecteerd kunnen worden, toch gebiedt mijn kleine teen mij ervoor te zorgen dat ik niet breedvoerig word. Ik keek vandaag in een wonderbaarlijk kolkend noodweer waarvan de bulderende kracht mij in verrukking bracht. Genoeg, genoeg daarover. Ik vrees de lezer al meer dan genoeg verveeld te hebben. Waar zijn nou al die ‘fameuze invallen’, zoals bijv. die inval over de rover toen hij woonde bij die vrouw met die grote krop. De man van deze vrouw werkte bij de spoorwegen, ze woonden vlak onder het dak. Op de begane grond bevond zich een muziekhandel, en in het bos boven de stad huisde een zwerfster wier lippen bepaald niet erg lekker geurden, maar die toch dapper afgezoend werden door degene die van de kropvrouw direct naar München wegreisde om zich daar indien mogelijk te vestigen als genie. Bij maneschijn voer hij over het Bodenmeer. Het gaat bij deze München-reis en bij deze vrouwen met kroppen om iets dat hij vroeger heeft meegemaakt. In München kocht hij voor zichzelf toch tenminste glacéhandschoenen. Hij droeg daarna nooit meer zulke dingen. De Engelse Tuin deed hem bijna een beetje te verfijnd aan. Hij was meer aan struikgewas gewend dan aan geschoren grasperken. Kroppen zie je tegenwoordig nauwelijks nog rondlopen in de openbaarheid. In dit opzicht zijn er zichtbare veranderingen opgetreden. Heel jong zag ik ooit, toen ik met mijn ouders aan ’t wandelen was, een bedelaar op de grond zitten. Een enorme hand hield de wandelaars een hoed voor om aalmoezen in te werpen. Wat een blauwe en rode klomp was deze hand. Vandaag de dag zou men het nauwelijks nog toestaan dat zo’n opvallende hand zich vertoonde. Intussen heeft immers ook de geneeskunde vooruitgang geboekt zodat uitwassen als kroppen en cyclopenhanden al bij het ontstaan onderdrukt kunnen worden. Deze vrouw met haar krop wenste de vertrekkende najager van belevenissen alle goeds met zijn carrière. Ze had zelfs tranen in haar ogen. Was dat niet heel aardig van haar, zich bij een toevallig afscheid moederlijk te gedragen, en nu zoek ik dus net als die Russische vorst in de vertelling van die beroemde verteller allerlei voor mij hoogst aangename dingen, en mijn rovertje zal aan zijn geliefde, omdat hij in tegenwoordigheid van haar en andere gasten luid uitriep: ‘Leve het communisme!’, zijn verontschuldiging moeten aanbieden. Ik zal deze verplichting, die hij aanvaardt, voor hem verlichten door hem te begeleiden want hij lijdt aan beschroomdheid. Velen die overmoedig zijn, ontbreekt het aan moed, en velen die trots zijn, aan trots, en velen die zwak zijn, aan de geestkracht hun zwakheid te erkennen. Vaak treden de zwakken dus sterk op, de geërgerden vrolijk, de vernederden trots, de ijdeltuiten bescheiden, zoals ik bijvoorbeeld die uit niets dan ijdelheid nooit in de spiegel kijkt omdat ik de spiegel onbeschoft en onhebbelijk vind. ’t Is niet uitgesloten dat ik mij per brief tot een vertegenwoordigster van onze dameswereld zal wenden, waarin ik vooral zal verklaren dat ik vol goede wil ben, maar misschien is ’t beter helemaal niets te verklaren. Ze zouden immers kunnen denken dat ik mezelf voor slecht aanzie. Op mijn tafel liggen tijdschriften. Kan iemand die zij tot ereabonnee benoemen dan van geringe kwaliteit zijn? Ik krijg vaak hele stapels brieven, wat er duidelijk op wijst dat er hier en daar levendig aan mij gedacht wordt. Als ik ooit ergens een bezoek afleg waar een bezoek iets waard is, dan zou ik het heel gezellig doen, respectvol en voor de rest zo alsof ik daarbij een van mijn handen in mijn jaszak hield, dus een heel klein beetje onhandig. Het is namelijk leuk een beetje onbeholpen te lijken, ik bedoel, het heeft iets moois. Arme rover, ik verwaarloos je helemaal. Er wordt beweerd dat hij graag griesmeelpap eet, en iedereen die voor hem Rösti klaarmaakt, heeft hij lief. Ik spreek nu weliswaar kwaad van hem, maar bij zo iemand zal ’t er wel niet zo nauw op aankomen. Nu over die gestorven weduwe. Tegenover mij staat een huis, waarvan de voorgevel gewoonweg een gedicht is. Franse troepen die in het jaar 1798 onze stad binnentrokken, zagen dit huisaanzicht al, voor ’t geval zij de moeite hebben genomen of de tijd hadden om het te aanschouwen.

 

Maar het is onverantwoord, zo vergeetachtig als ik ben. Ooit kwam de rover immers, nadat hij zich even bij een boekdrukkerij had laten zien en met de eigenaar een uurtje had staan kletsen, in het bleke novemberbosje die Henri Rousseau-vrouw tegen, helemaal in het bruin gekleed. Hij bleef getroffen voor haar stilstaan. De gedachte ging door zijn hoofd dat hij in de afgelopen jaren op een treinreis midden in de nacht tegen een vrouw die met hem reisde als het ware sneltreinachtig had gezegd: ‘Ik ga naar Milaan.’ Net zo dacht hij nu heel flitsachtigvlug aan tumtummetjes die je in kruidenierswinkels koopt. Kinderen eten dat graag, en meneer de rover at ze ook nog altijd graag zo nu en dan, alsof de liefde voor tumtummetjes etc. tot de taken van de roverstand behoorde. Met ‘Lieg toch niet!’ opende nu die dame in het bruin haar betoverende mond. Deze betoverende mond is interessant, nietwaar, en ze ging verder: ‘Jij wil altijd al je medemensen die van jou graag iets bruikbaars willen maken, helpen geloven dat het jou ontbreekt aan wat belangrijk is voor ’t leven en de gemoedelijkheid ervan. Maar ontbreekt ’t jou aan dit wezenlijke? Nee. Je hebt ’t wel. Je waardeert het alleen niet, je wilt het als hinderlijk beschouwen. Tijdens je hele leven tot nu toe heb je één bezit genegeerd.’ ‘Ik heb geen bezit,’ bracht ik er tegen in, ‘waarvan ik niet met plezier gebruik gemaakt heb.’ ‘Toch wel, je hebt er één, maar je bent onnoemelijk gemakzuchtig. Honderden aanklachten, onterecht of redelijk, slieren als een lange slang of als een zeer zware sleep achter je aan. Maar jij voelt niets.’ ‘Zeer geachte, beste Henri Rousseau-vrouw, U vergist zich, ik ben slechts wat ik ben, heb slechts wat ik heb, en wat ik heb en niet heb, dat weet ik zelf heus het beste. Misschien hadden de grillen van het lot van mij een cowboy moeten maken, ik ben inderdaad ongelooflijk luchthartig.’ De dame bracht er tegenin: ‘Jij bent te sloom om ook maar te denken dat iemand misschien heel gelukkig zou kunnen zijn door jou en jouw talenten.’ Maar hij ontkende dat. ‘Nee, ik ben voor zulke gedachten niet te sloom, maar ik beschik niet over het werktuig waarmee je geluk toedient’, en hij liep verder. Het bos leek hem kwaad vanwege zijn weigering aan de verzekeringen van die dame in het bruin te geloven. ‘Het is een kwestie van geloven’, zei die donkere persoon. ‘Bent U niet ronduit eigenzinnig?’ ‘Waarom wilt U met alle geweld dat ik iets moet hebben waarvan ik toch duidelijk voel dat ik het mis?’ ‘U bent het toch niet kwijtgeraakt. U hebt het toch niet ergens verloren.’ ‘Nee, beslist niet. Wat ik nooit had, kan nooit van mij afgevallen zijn. Ik kan het ook niet verkocht of weggegeven hebben, en er is niets aan mij wat door mij verwaarloosd is. Mijn talenten werden vlijtig benut, gelooft U me toch, alstublieft.’ ‘Van jou geloof ik nooit iets!’ Steeds liep ze vlak achter die zachtzinnige aan. Ze had het nu eenmaal in haar hoofd gezet hem voor een loochenaar van een deel van zijn capaciteiten te houden, en was met geen enkele verzekering dat ze zich vergiste van haar mening af te brengen dat hij zichzelf kapotmaakte, een verwaarlozer van zijn dierbaarste aangelegenheden was, iemand die zichzelf armzalig behandelde. ‘Ik ben hotelgouvernante’, verklaarde ze bij een bocht in de weg. De bomen glimlachten om deze openhartige uitspraak. De rover leek blozend op een roos en de vrouw op een rechter, maar alsof vrouwelijke rechters, in hun ijver om het rechtspreken niet op te geven, zich niet op dwaalwegen kunnen bevinden. ‘Behoor jij dan tot die arme zielen bij wie het onbehagen oproept als ze menen te kunnen denken dat er ergens een zijgeultje sociaal onbenut blijft? Jammer dat die kruideniersgeest zo wijdverspreid raakt. Mij zie je immers tevreden met mezelf. Kan dat jou ontevreden maken?’ ‘Jouw soberheid is niets meer dan een onder zware inspanningen bedolven kunststukje. Ik zeg ’t recht in je gezicht, je bent ongelukkig. Je zorgt er alleen maar altijd voor dat je gelukkig lijkt.’ ‘Die zorg is zo leuk dat het me gelukkig maakt.’ ‘Je vervult je plicht als lid van de maatschappij niet.’ Degene die dit zei, had de donkerste ogen, geen wonder dat ze zo streng, zo donker sprak. ‘Heeft U een doctorstitel?’ vroeg de vluchtende. De rover vluchtte als een meisje voor de vrouw in het bruin. Dit was in november. Het ganse land lag er stijf van de kou bij. Het kostte je moeite om je warme kamers voor te stellen, en daar vluchtte die tumtummetjeseter, die liefhebber van chocoladestengeltjes, dus voor deze behoedster van ’t algemeen welzijn, die echter hoofdzakelijk aan zichzelf dacht. ‘Ik hoorde ooit een groots Beethoven-concert. Het entreegeld leek qua onbeduidendheid op een monumentaal bouwwerk. Er zat een vorstin in de concertzaal naast mij.’ ‘Dat gebeurde gewoon ooit eens.’ ‘Maar het mag toch met jouw welnemen wel als herinnering in mij voortleven?’ ‘Je bent een vijand van de gemeenschap. Je bent me tederheid verschuldigd. In naam van de beschaving dien je onvoorwaardelijk te geloven dat je als voor mij geschapen bent. Ik zie aan jou dat je over echtelijke deugden beschikt. Het lijkt erop dat je een sterke rug hebt. Je schouders zijn breed.’ Hij bestreed dat door met zachte stem uit te brengen: ‘Mijn schouders zijn het teerste wat ooit in dit opzicht geschapen is.’ ‘Je bent een Hercules.’ ‘Dat lijkt maar zo.’ En zo’n wegloper liep in een roverskostuum rond. Hij droeg een dolk in zijn gordel. Zijn broek was wijd en matblauw. Er hing een sjerp om zijn smalle lijf. Hoed en haar vertegenwoordigden het principe van onverschrokkenheid. Zijn hemd was opgesierd met kantgarnering. Zijn mantel was weliswaar een beetje versleten, maar wel met bont afgezet. De kleur van dit stuk van zijn uitrusting was een niet al te groen groen. Dit groen moet er in de sneeuw schitterend uitgezien hebben. De ogen keken blauw. Er lag als het ware iets blonds in deze ogen die uiterst innig voorwendden broeders van de wangen te zijn. Deze bewering bleek simpelweg de waarheid. Het pistool dat hij in zijn hand hield, lachte om zijn eigenaar. Het zag er decoratief uit. Hij leek op het product van een aquarellist. ‘Spaar mij dan toch’, vroeg hij aan zijn belaagster. Die had Schlatters Vrouwenpaden in de boekhandel gekocht en het ijverig bestudeerd. En zij hield van hem, maar de rover kon niet om Edith heen. Steeds stond zij verheven voor hem, ze was hem ongelooflijk dierbaar. Nu over naar Rathenau. 

 

Wat bestaat er een verschil tussen onze jongen en iemand als Rinaldini die in zijn tijd toch maar van honderden goede staatsburgers het hoofd doormidden heeft gekliefd, de rijken hun rijkdom aftroggelde en die ten goede liet komen aan de armen. Wat moet dat een idealist zijn geweest. Die van ons hier doodde soms in het Wiener Café onder de klanken van een Hongaarse kapel louter de zielerust van een mooi meisje aan het raam met de indringende straal (dolk) van zijn onschuldige ogen en met pogingen tot telepathie. Hij wist bij het aanhoren van muziek op meesterlijke wijze onuitsprekelijk ongelukkig te zijn, en omdat dat voor gevoelige types levensgevaarlijk was, werd hem telkens een onderwijzer ter toezicht meegegeven die hem overal moest volgen tot hij hem betrapte. Zo’n beschermer of bewaker zei tegen Orlando: ‘Zwak in religie, nietwaar?’ om intussen berustend te glimlachen. De rover toonde vele gebreken. Daarover beslist later meer. Laten we nu eerst met hem over de Gurten wandelen, zo heet een berg in de naaste omgeving. Wat mij betreft kunnen we daarboven in de openlucht naar hartenlust over politiek praten. Van de keizerinnen van zijn fantasie zal beslist ook nog sprake zijn. Die gestorven weduwe ontgaat ons ook niet, met inbegrip van haar huisraad. Wat kijken wij toch naar alle kanten om ons heen. Sommigen zouden kunnen denken dat dit buitengewoon vermoeiend is, maar het tegendeel is het geval. Opletten heeft iets uiterst verfrissends. Door onoplettendheid verslap je. Tien uur ’s ochtends is het, hij komt, afdalend tussen helgroene weilanden, weer de stad in waar een plakkaat hem de moord op Rathenau aankondigt, en wat deed die heerlijke eigenaardige ploert toen, hij klapte in zijn handen in plaats van om te vallen van schrik en verdriet bij zo’n verpletterende kennisgeving. Laat iemand van ons alleen (nu) dat handenklappen eens trachten te verklaren. De bijvalsbetuiging zou misschien met een lepeltje kunnen samenhangen. Jammer dat ik nu overigens nooit meer het Buffet 2de klasse in mag, waar ik mij onmogelijk heb gemaakt omdat ik de chef-kelner mijn strohoed overhandigde om hem op te hangen, een wereldsheid waar de hele zaal misprijzend nota van nam. Deze goddelijke lucht op de berg, die ademhalingsoefeningen in het dennenbos, en dan nog dit extra genot te mogen lezen dat een grootheid door enkele onbenullen overweldigd is. Want is het aanschouwen, het meebeleven van een tragedie volgens Friedrich Nietzsche niet een genoegen in fijnere en hogere zin, een verrijking van je leven? ‘Bravo’, heeft hij toen zelfs nog met opzet uitgeroepen en daarna heeft hij zich naar het café begeven. Hoe valt dit grove ‘Bravo’ te verklaren? Een harde noot, dit, maar we proberen ’t. Voordat hij namelijk besloten had de Gurten te beklimmen, God der Precisie, geef mij de kracht alles tot in de puntjes weer te geven, likte hij, omdat hij dacht dat hij haar page was, dat lepeltje van de weduwe af. ’t Was in haar keuken. In die keuken heerste een grote, fantastische eenzaamheid, een zomerse eenzaamheid, en de rover had misschien de dag ervoor in de etalage van een boek- of kunsthandelaar een reproductie gezien van Le baiser dérobé van Fragonard. Dit schilderij moet hem in verrukking hebben gebracht. Het is dan ook werkelijk een van de meest gracieuze afbeeldingen die ooit geschilderd werden. En nu was er dus behalve hij geen sterveling in de keuken. Naast de gootsteen rustte en droomde in een kopje het lepeltje dat de weduwe gebruikt had bij het koffiedrinken. ‘Het lepeltje is door haar in haar mond gestoken. Haar mond is beeldschoon. Het overige aan haar is honderdmaal minder schoon dan juist haar mond, en zou ik dan nog moeten aarzelen dit schoons dat aan haar zit, te eren door nu als het ware dit lepeltje te kussen?’ Aldus luidden zijn literaire verklaringen. Hij sprak daar als het ware een gloedvol essay uit en beleefde daar natuurlijk plezier aan. Het doet toch iedereen plezier als je je verbeeldt levendig en slim van geest te zijn. Eens had hij deze weduwe aangetroffen toen ze op het punt stond haar voeten te wassen. Op dat voetenbad moet beslist teruggekomen worden. Alleen al omwille van de roem van onze zo dierbare en mooie stad, en omwille van die liefde voor waarheid. We zullen hier namelijk ooit eens lekker grondig de rekening opmaken. Ach, als ik nu toch eens meteen dat voetenbad onderhanden kon nemen. Helaas moet het verschoven worden. Hij zal wel minstens een vreugdesprong gemaakt hebben na zijn liefkozing van het lepeltje. Wat zou ze een ogen opgezet hebben als ze ’t gezien had. Zoiets kun je toch helemaal niet verzinnen. In genoemde keuken heerste overigens een soort halfduister, een bestendige poëtische schemering, een voortdurende nacht, iets wat jong maakt, en misschien werd de rover juist hier een jongeling en nergens anders, en nu had hij dus een indrukwekkende prestatie op erotisch gebied geleverd, degene die anders steeds zwak of toch ontoereikend was gebleven in dit vak, en hij was toen zijn berg opgehuppeld, met niets dan lepeltjes in zijn hoofd, en op hetzelfde moment blies elders in het rijk een grote geest zijn tijdelijkheid uit omdat hij door zeer fatsoenlijk denkende lieden neer was geschoten. Dat handenklappen blijft ons nog steeds een raadsel. Het bravogeroep zetten wij op het conto van zijn hemelsblauwe onbeschaamdheid. Kennelijk gaat ’t daar om de zonnigste gedachteloosheid. Of kwam de dood van Rathenau hem voor als mooi en daarom als een belofte voor de toekomst? Dit kon wel eens moeilijk hard te maken zijn. Het werkt bijna komisch, deze dichte opeenvolging van gebruiksvoorwerpen van een weduwe en uiterst belangrijke actuele gebeurtenissen die historische betekenis toekomt. Aan de ene kant een voorval met een koffiekopje, het optreden van een page in zoete heimelijkheid, en aan de andere kant een flitsend krantenbericht dat sidderend de gehele culturele wereld doorgaat. Daar komt nu nog de volgende bekentenis bij: Rathenau en de rover kenden elkaar persoonlijk. Hun kennismaking dateerde uit de periode waarin de minister nog geen minister was. ’t Was op een landgoed in de mark Brandenburg waar ons zo sterk tot verliefdheden geneigde rovertje aan deze rijke zoon van een industrieel zijn bezoek aflegde. Op de Potsdamerplatz in Berlijn, te midden van een onafgebroken verkeersstroom van mensen en voertuigen, hadden zij elkaar namelijk toevallig leren kennen. Daar had de grote naam de weinig opzienbarende uitgenodigd hem eens op te komen zoeken, en aan deze uitnodiging werd gevolg gegeven. Dat was zogezegd toch bijna vanzelfsprekend. In een met Chinese tapijten bekleed theevertrek hadden beiden toen de middagthee genuttigd. Een bijna eerbiedwekkend oude bediende kwam de merkwaardige kamer binnen, die zowel Duits als ongewoon aandeed, om weer gehoorzaam op te krassen, stil als een schim, alsof zijn dienstvaardigheid het enige levende aan hem was, alsof hij louter bestond uit correcte inschatting van de omstandigheden. Na de genuttigde verfrissing bezichtigden zij het park. Tijdens de wandeling werd over eilanden, dichters, etc. gesproken, en nu was deze beangstigende kennisgeving gekomen, en de rover zei hierover: ‘Prachtig, een carrière die zo afgesloten wordt!’ Bij gelegenheid dacht hij ook nog wel wat anders. Maar er zat vooral, we zouden bijna zeggen, iets verrukkelijks in zijn manier van stilstaan bij het uiterst onthutsende bericht dat als het ware iets vrolijks, iets Grieks had, iets van het levendige van oeroude sagen. Al destijds in Berlijn had de rover zich op een dag waarlijk meisjesachtig gedragen. Dit gebeurde in een mannengezelschap. De rover was op dat moment diep, diep beledigd geweest. Hij herinnert zich dit beledigd zijn tegenwoordig met een soort gegnuif, wat ons het bewijs verschaft van een zekere bezonkenheid. Hij gaat zich meer en meer met zijn aard verzoenen. In bovengenoemd mannengezelschap maakte hij zich schuldig aan een abruptheid, een al te drieste driestheid, rappe rapheid, of hoe U maar wilt dat ik ’t noem. Die al te vlugge vlugheid was nou net wat hem verried, d.w.z. wat indirect uitsluitsel gaf over zijn geaardheid. Twee à drie heren hebben daar ter plekke misschien tamelijk onvoorzichtig, dus wat onvoornaam, de roverfiguur in zekere zin weggelachen. Het weglachen leek op een fontein die het neusje van de rover flink nat maakte. Maar hij stierf gelukkig niet aan deze natmakerij. Dat zou helemaal dol zijn, als er meteen bij kleine terechtwijzingen gestorven moest worden. Maar nu met permissie over naar een dienstmeisje en een kniekus en naar een boek dat in een chalet werd afgegeven. 

 

Vertaling Machteld Bokhove
Paperback met flappen, 
196 blz.
Prijs: € 19,50
ISBN 978 94 923 1349 2
Verschenen september 2018

 

Robert Walser